Valuta › Euro - Pond
Talen › Nederlands • Engels • Frans • Italiaans • Spaans • Duits • Zweeds
Leveringstermijn › E-mail met licentie binnen 2 minuten geleverd
Alle sneltoetscombinaties voor paginaopmaak
100 sneltoetsen voor paginaopmaak: InDesign, Affinity Publisher en Scribus
TL;DR: Met sneltoetsen voor paginaopmaak plaats je afbeeldingen, bewerk je tekst, organiseer je kaders en controleer je documenten sneller. Dit naslagwerk bevat 100 praktische sneltoetsen voor Adobe InDesign, Affinity Publisher 2 en Scribus op Windows, telkens met uitleg over de werking.
Welke sneltoetsen zijn belangrijk bij paginaopmaak?
De nuttigste sneltoetsen voor paginaopmaak ondersteunen werkzaamheden die je voortdurend herhaalt: tekst en afbeeldingen plaatsen, objecten selecteren, kaders dupliceren, typografie aanpassen en tussen pagina’s navigeren. Vooral bij brochures, magazines, boeken en rapporten scheelt dat veel heen en weer bewegen tussen je document en de menu’s.
Hieronder staan 40 vermeldingen voor Adobe InDesign, 30 voor Affinity Publisher 2 en 30 voor Scribus. Sommige toetscombinaties komen bij meerdere programma’s terug. Het overzicht telt dus 100 vermeldingen per toepassing, geen 100 onderling verschillende toetsenpatronen.
| Programma | Bereik | Onderwerpen |
|---|---|---|
| Adobe InDesign | 1–40 | Gereedschappen, kaders, typografie, navigatie en stijlen. |
| Affinity Publisher 2 | 41–70 | Documenten, afbeeldingen, objecten, tekst en weergave. |
| Scribus 1.6 | 71–100 | Kaders, tekststromen, eigenschappen, dupliceren en PDF-export. |
Zo gebruik je dit naslagwerk
Alle vermeldingen gaan uit van de standaardtoetsen op Windows. Zelf ingestelde sneltoetsen kunnen afwijken. Voor Affinity gaat het specifiek om de afzonderlijke toepassing Publisher 2; voor Scribus om de 1.6-reeks. Op een laptop moet je voor sommige functietoetsen ook Fn ingedrukt houden.
Een plusteken betekent dat je toetsen tegelijk indrukt. Bij Ctrl + Shift + S houd je dus Ctrl en Shift vast en druk je op S. Losse letters, zoals T of V, activeren meestal een gereedschap. Ze werken daarvoor alleen wanneer je geen tekst invoert.
Let op de actieve selectie. Een tekstkader selecteren is iets anders dan de tekst in dat kader bewerken. Controleer vóór een sneltoets of je het kader, de inhoud of een invoerveld actief hebt.
Adobe InDesign: 40 sneltoetsen voor professionele paginaopmaak
InDesign maakt onderscheid tussen pagina’s, objectkaders en de inhoud daarvan. Dat onderscheid merk je direct bij selecteren en verplaatsen. De onderstaande sneltoetsen gaan uit van de standaardset van InDesign.
Documenten openen en inhoud plaatsen
| Nr. | Sneltoets | Wat doet deze sneltoets? |
|---|---|---|
| 1 | Ctrl + N | Opent het venster voor een nieuw document. Je stelt onder meer paginaformaat, marges, kolommen en afloop in voordat je begint met opmaken. |
| 2 | Ctrl + O | Opent een bestaand document. Gebruik dit om een eerdere publicatie verder te bewerken of een aangeleverd InDesign-bestand te openen. |
| 3 | Ctrl + S | Slaat het actieve document op. Maak hiervan een vaste gewoonte na grotere tekstcorrecties, wijzigingen aan pagina’s of het vervangen van afbeeldingen. |
| 4 | Ctrl + Shift + S | Opent Opslaan als. Hiermee bewaar je bijvoorbeeld een aparte revisieversie voordat je ingrijpende wijzigingen aan een bestaande brochure doorvoert. |
| 5 | Ctrl + D | Opent Plaatsen om tekst of afbeeldingen te importeren. Een geselecteerd kader kan de inhoud ontvangen; zonder kader kun je deze vervolgens plaatsen. |
Kaders en gereedschappen bedienen
| Nr. | Sneltoets | Wat doet deze sneltoets? |
|---|---|---|
| 6 | V | Activeert het selectiegereedschap buiten tekstbewerking. Hiermee selecteer en verplaats je complete kaders, bijvoorbeeld een foto met het bijbehorende afbeeldingskader. |
| 7 | A | Activeert Direct selecteren. Je bewerkt daarmee afzonderlijke ankerpunten of selecteert afbeeldingsinhoud, zodat je nauwkeuriger werkt dan met een compleet kader. |
| 8 | T | Activeert het tekstgereedschap. Sleep een nieuw tekstkader of klik in een bestaand tekstkader om tekst te plaatsen, selecteren en bewerken. |
| 9 | F | Activeert het rechthoekige afbeeldingskader. Hiermee teken je vooraf de ruimte waarin later een foto, illustratie of ander grafisch bestand moet komen. |
| 10 | M | Activeert het rechthoekgereedschap. Handig voor kleurvlakken, achtergronden en kaders waarmee je onderdelen van een pagina visueel van elkaar scheidt. |
| 11 | Shift + P | Activeert het paginagereedschap. Hiermee selecteer je een pagina voor aanpassingen aan bijvoorbeeld het formaat of de positie binnen een spread. |
| 12 | U | Activeert het tussenruimtegereedschap. Je past ruimte tussen objecten aan, waarbij aangrenzende kaders volgens de gekozen bediening meebewegen of van formaat veranderen. |
| 13 | Esc | Selecteert het omvattende kader wanneer de inhoud geselecteerd is. Zo stap je bij een afbeelding terug van de foto naar het kader. |
| 14 | Shift + Esc | Selecteert de inhoud van een geselecteerd kader. Bij een afbeeldingskader kun je vervolgens de afbeelding zelf binnen de bestaande uitsnede verplaatsen. |
Praktisch verschil: wil je een foto op de pagina verplaatsen, selecteer dan het kader. Wil je de uitsnede veranderen terwijl het kader blijft staan, selecteer dan de afbeeldingsinhoud.
Objecten verplaatsen en schalen
| Nr. | Sneltoets | Wat doet deze sneltoets? |
|---|---|---|
| 15 | Pijltoets | Verplaatst een geselecteerd object met de ingestelde toetsenbordstap. Daarmee corrigeer je kleine positieverschillen zonder het kader met de muis te verslepen. |
| 16 | Shift + pijltoets | Verplaatst de selectie met tienmaal de ingestelde toetsenbordstap. Geschikt om kaders wat verder te verschuiven en daarna met kleinere stappen bij te regelen. |
| 17 | Ctrl + Shift + pijltoets | Verplaatst de objectselectie met een tiende van de normale stap. Gebruik dit voor subtiele correcties wanneer de gewone pijltoets te grof werkt. |
| 18 | Alt + pijltoets | Dupliceert de geselecteerde objecten en verschuift de kopie met de ingestelde stap. Bruikbaar voor herhaalde elementen zoals kleine markeringen of labels. |
| 19 | Ctrl + Shift + slepen | Schaalt met het selectiegereedschap een kader en zijn inhoud proportioneel wanneer je een hoekgreep sleept. Zo behoud je de onderlinge verhoudingen. |
Tekst opmaken en alinea’s uitlijnen
| Nr. | Sneltoets | Wat doet deze sneltoets? |
|---|---|---|
| 20 | Ctrl + Shift + B | Past de vette variant toe op geselecteerde tekst wanneer het lettertype die variant heeft. Geschikt voor plaatselijke nadruk binnen een lopende tekst. |
| 21 | Ctrl + Shift + I | Past cursief toe wanneer de betreffende lettertypevariant beschikbaar is. Gebruik dit bijvoorbeeld voor een boektitel, een citaatfragment of een specifieke term. |
| 22 | Ctrl + Shift + U | Schakelt onderstrepen in of uit voor geselecteerde tekst. De precieze vorm van de onderstreping volgt de ingestelde onderstrepingsopties. |
| 23 | Ctrl + Shift + L | Lijnt de betrokken alinea’s links uit. Je hoeft daarvoor niet iedere regel afzonderlijk te selecteren; een invoegpunt in de alinea volstaat. |
| 24 | Ctrl + Shift + C | Centreert de betrokken alinea’s. Handig voor korte koppen, uitnodigingen en bijschriften die bewust rond de middenas van een tekstkader staan. |
| 25 | Ctrl + Shift + R | Lijnt alinea’s rechts uit. Dit kan passen bij een smal informatieblok, een colofon of tekst die tegen een rechterrand moet aansluiten. |
| 26 | Ctrl + Shift + J | Vult alinea’s uit, met de laatste regel links uitgelijnd. Controleer daarna de woordspaties, zeker wanneer je met smalle tekstkolommen werkt. |
| 27 | Alt + pijl-links | Verkleint bij horizontale tekst de kerning of tracking, afhankelijk van de tekstselectie. Hiermee breng je letters dichter bij elkaar zonder het corps te veranderen. |
| 28 | Alt + pijl-rechts | Vergroot bij horizontale tekst de kerning of tracking. Gebruik kleine stappen om een kop optisch luchtiger te maken of letterparen te corrigeren. |
| 29 | Alt + pijl-omhoog | Verkleint bij horizontale tekst de regelafstand. De regels komen dichter bij elkaar; controleer of hoge letters en staarten voldoende ruimte behouden. |
| 30 | Alt + pijl-omlaag | Vergroot bij horizontale tekst de regelafstand. Dit geeft tekst meer lucht, maar kan ook veroorzaken dat de tekst niet meer in het kader past. |
Navigeren, controleren en stijlen openen
| Nr. | Sneltoets | Wat doet deze sneltoets? |
|---|---|---|
| 31 | W | Wisselt buiten tekstinvoer tussen normale weergave en voorvertoning. Je beoordeelt de pagina zonder de gebruikelijke niet-afdrukbare opmaakhulpmiddelen in beeld. |
| 32 | Ctrl + J | Opent Ga naar pagina. Vooral in langere publicaties bereik je hiermee een specifieke pagina zonder door alle tussenliggende spreads te bladeren. |
| 33 | Alt + Page Down | Navigeert naar de volgende spread. Zo doorloop je een publicatie per opmaakspread, wat prettig werkt bij magazines en andere documenten met tegenoverliggende pagina’s. |
| 34 | Alt + Page Up | Navigeert naar de vorige spread. Gebruik deze samen met de volgende-spreadtoets om snel naburige opmaakcomposities te bekijken. |
| 35 | Tab | Verbergt of toont de panelen en gereedschapsbalken wanneer je geen tekst invoert. Je krijgt tijdelijk meer ruimte om je pagina te beoordelen. |
| 36 | Ctrl + T | Opent het deelvenster Teken. Hier regel je onder meer lettertype, corps, regelafstand en andere instellingen voor de geselecteerde tekst. |
| 37 | Ctrl + Alt + T | Opent het deelvenster Alinea. Daarmee bereik je instellingen voor uitlijning, inspringingen en alinea-afstanden zonder het betreffende paneel handmatig te zoeken. |
| 38 | F11 | Opent het deelvenster Alineastijlen. Gebruik stijlen om bijvoorbeeld alle tussenkoppen of alle broodtekst in een publicatie consequent op te maken. |
| 39 | Shift + F11 | Opent het deelvenster Tekenstijlen. Hiermee beheer je herbruikbare tekstopmaak voor bijvoorbeeld nadruk, productnamen of verwijzingen binnen een alinea. |
| 40 | F7 | Opent het deelvenster Lagen. Daar organiseer je bijvoorbeeld achtergronden, tekst en afbeeldingen, en regel je de zichtbaarheid of vergrendeling van lagen. |
Affinity Publisher 2: 30 sneltoetsen voor documenten en lay-outs
In Publisher 2 zijn vooral de plaatsingsopdracht, objectbediening en tekstgereedschappen nuttig tijdens het opmaken. Let bij losse gereedschapstoetsen op groepen: meerdere gereedschappen kunnen dezelfde letter delen.
Documenten beheren en materiaal plaatsen
| Nr. | Sneltoets | Wat doet deze sneltoets? |
|---|---|---|
| 41 | Ctrl + N | Maakt een nieuw document aan via het documentvenster. Kies hier de juiste pagina-instellingen voordat je tekstkaders, afbeeldingen en terugkerende elementen toevoegt. |
| 42 | Ctrl + O | Opent een bestaand bestand. Hiermee hervat je bijvoorbeeld het werk aan een brochure, een rapport of een eerder opgeslagen publicatie. |
| 43 | Ctrl + S | Slaat wijzigingen in het actieve document op. Bij een nieuw document vraagt Publisher eerst waar en onder welke naam je het wilt bewaren. |
| 44 | Ctrl + Shift + S | Opent Opslaan als. Handig om een publicatie als nieuwe versie te bewaren voordat je de paginavolgorde, vormgeving of inhoud ingrijpend wijzigt. |
| 45 | Ctrl + Shift + M | Opent de plaatsingsopdracht voor afbeeldingen en ondersteunde bestanden. Je kunt het gekozen materiaal vervolgens in je paginaopmaak of een geschikt kader plaatsen. |
| 46 | Ctrl + Alt + Shift + S | Opent Exporteren. Hier kies je onder meer het uitvoerformaat en de bijbehorende instellingen, bijvoorbeeld wanneer je de publicatie als PDF wilt aanleveren. |
Objecten dupliceren, groeperen en ordenen
| Nr. | Sneltoets | Wat doet deze sneltoets? |
|---|---|---|
| 47 | Ctrl + J | Dupliceert de geselecteerde objecten. Na een verplaatsing of transformatie kan herhaald dupliceren helpen om een reeks gelijkmatig opgebouwde elementen te maken. |
| 48 | Ctrl + G | Groepeert geselecteerde objecten. Een achtergrondvlak, tekstlabel en pictogram kun je daardoor als één geheel verplaatsen binnen je paginaopmaak. |
| 49 | Ctrl + Shift + G | Heft de geselecteerde groep op. Je kunt daarna de afzonderlijke onderdelen opnieuw selecteren, aanpassen of in een andere samenstelling groeperen. |
| 50 | Ctrl + ] | Verplaatst het geselecteerde object één stap naar voren in de stapelvolgorde. Handig wanneer een tekstblok net achter een ander object terechtkomt. |
| 51 | Ctrl + [ | Verplaatst het geselecteerde object één stap naar achteren. Hiermee pas je overlap geleidelijk aan zonder het object meteen helemaal achteraan te zetten. |
| 52 | Ctrl + Shift + ] | Brengt de selectie naar voren binnen de betreffende objecthiërarchie. Gebruik dit wanneer een element boven de andere objecten in die stapel moet verschijnen. |
| 53 | Ctrl + Shift + [ | Verplaatst de selectie naar achteren binnen de betreffende objecthiërarchie. Dit is bijvoorbeeld bruikbaar voor een kleurvlak achter tekst en afbeeldingen. |
| 54 | Ctrl + L | Vergrendelt het geselecteerde object. Zo voorkom je dat je een zorgvuldig geplaatst onderdeel onbedoeld verplaatst terwijl je nabijgelegen elementen bewerkt. |
| 55 | Ctrl + Shift + L | Ontgrendelt de geselecteerde vergrendelde objecten. Selecteer een moeilijk bereikbaar vergrendeld object zo nodig eerst via het deelvenster Lagen. |
Gereedschappen en tekstbewerking
| Nr. | Sneltoets | Wat doet deze sneltoets? |
|---|---|---|
| 56 | V | Activeert het verplaatsingsgereedschap. Hiermee selecteer, positioneer en transformeer je onder meer tekstkaders, afbeeldingskaders en andere onderdelen van de lay-out. |
| 57 | T | Activeert een gereedschap uit de groep voor artistieke tekst, kadertekst en tabellen. Het actieve groepsgereedschap en je wisselinstellingen bepalen welke variant verschijnt. |
| 58 | F | Activeert een afbeeldingskadergereedschap. Je tekent hiermee een kader waarin beeldmateriaal een vaste plaats en uitsnede krijgt binnen je publicatie. |
| 59 | Ctrl + F | Opent Zoeken en vervangen. Gebruik dit bijvoorbeeld om een productnaam op te sporen of terugkerende tekstfouten in een publicatie te corrigeren. |
| 60 | Ctrl + T | Opent het deelvenster Teken. Hier vind je gedetailleerde typografische instellingen voor de geselecteerde tekst of voor tekst die je vervolgens invoert. |
| 61 | Ctrl + B | Schakelt vet in of uit tijdens tekstbewerking. Gebruik deze plaatselijke opmaak voor nadruk; terugkerende koppen beheer je overzichtelijker met tekststijlen. |
| 62 | Ctrl + I | Schakelt cursieve tekstopmaak in of uit. Geschikt voor korte accenten, titels en termen die binnen de lopende tekst herkenbaar moeten blijven. |
| 63 | Ctrl + U | Schakelt onderstrepen in of uit voor geselecteerde tekst. Controleer bij kleine tekst of de onderstreping de leesbaarheid voldoende intact laat. |
| 64 | Ctrl + Alt + L | Lijnt de betrokken alinea’s links uit. Deze combinatie verschilt van InDesign, waar je voor dezelfde alinea-uitlijning Ctrl met Shift gebruikt. |
| 65 | Ctrl + Alt + C | Centreert de betrokken alinea’s binnen hun beschikbare tekstbreedte. Bruikbaar voor korte titels, onderschriften of een centraal geplaatst informatieblok. |
| 66 | Ctrl + Alt + R | Lijnt de betrokken alinea’s rechts uit. De uitlijning volgt de breedte en eventuele inspringingen van de betreffende alinea’s in het tekstkader. |
Wil je binnen een gereedschapsgroep wisselen, controleer dan de instelling Use modifier to cycle tools. Die bepaalt of je voor het doorlopen van gedeelde gereedschapstoetsen een extra modifier gebruikt.
De pagina bekijken en beoordelen
| Nr. | Sneltoets | Wat doet deze sneltoets? |
|---|---|---|
| 67 | Ctrl + 0 | Past de actieve pagina of spread in het documentvenster. Hiermee krijg je na detailwerk snel weer overzicht over de volledige opmaak. |
| 68 | Ctrl + 1 | Zet de weergave op 100%. Gebruik dit om details op die zoomstand te beoordelen; het is geen garantie voor de fysieke afdrukgrootte. |
| 69 | Ctrl + R | Toont of verbergt de linialen. Ze helpen bij het beoordelen van posities en afstanden en vormen een vertrekpunt voor het plaatsen van hulplijnen. |
| 70 | Ctrl + Shift + W | Schakelt de voorvertoningsmodus in of uit. Je bekijkt de publicatie met minder opmaakhulpmiddelen, waardoor de compositie en teksthiërarchie beter opvallen. |
Scribus: 30 sneltoetsen voor kaders, tekststromen en publicaties
Scribus werkt sterk vanuit kaders. Je maakt eerst een tekst- of afbeeldingskader en voegt daarna inhoud toe. De onderstaande vermeldingen volgen de standaardinstellingen van Scribus 1.6; oudere handleidingen kunnen andere toewijzingen noemen.
Documenten opslaan en inhoud importeren
| Nr. | Sneltoets | Wat doet deze sneltoets? |
|---|---|---|
| 71 | Ctrl + N | Opent het venster voor een nieuw document. Hier leg je de basis vast, zoals paginaformaat, marges en de indeling met enkele of tegenoverliggende pagina’s. |
| 72 | Ctrl + O | Opent een bestaand document. Hiermee ga je bijvoorbeeld verder met een eerder opgeslagen Scribus-publicatie voor een folder, tijdschrift of rapport. |
| 73 | Ctrl + S | Slaat het actieve document op. Gebruik dit regelmatig tijdens het opmaken, zeker na wijzigingen aan tekstketens, kaders en de indeling van pagina’s. |
| 74 | Ctrl + Shift + S | Opent Opslaan als. Daarmee maak je een aparte documentversie, bijvoorbeeld voordat je een publicatie aanpast voor een andere doelgroep of uitgave. |
| 75 | Ctrl + I | Importeert tekst of een afbeelding, afhankelijk van het geselecteerde kader. Selecteer dus eerst het juiste kader voordat je het bronbestand kiest. |
| 76 | Ctrl + Shift + P | Opent de PDF-export van Scribus 1.6. Controleer daar de gewenste uitvoerinstellingen, zoals paginabereik, lettertypen en eventuele vereisten van je drukker. |
Kaders maken en tekst laten doorlopen
| Nr. | Sneltoets | Wat doet deze sneltoets? |
|---|---|---|
| 77 | C | Activeert het selectiegereedschap. Hiermee selecteer je kaders en andere objecten om hun positie, formaat of eigenschappen in de paginaopmaak te wijzigen. |
| 78 | T | Activeert het gereedschap voor tekstkaders. Sleep vervolgens op de pagina om de ruimte af te bakenen waarin je tekst wilt plaatsen. |
| 79 | I | Activeert het gereedschap voor afbeeldingskaders. Teken een kader en importeer daarna de gewenste foto of illustratie met de plaatsingsopdracht. |
| 80 | E | Activeert het bewerken van kaderinhoud. Bij tekst werk je aan de tekst; bij een afbeelding kun je de inhoud binnen het kader aanpassen. |
| 81 | N | Activeert in Scribus 1.6 het koppelen van tekstkaders. Hiermee laat je een tekstverhaal doorlopen van het ene kader naar het volgende. |
| 82 | U | Activeert het ontkoppelen van tekstkaders. Controleer daarna de tekstverdeling, omdat het verbreken van een keten gevolgen kan hebben voor doorlopende inhoud. |
| 83 | Ctrl + T | Opent de Story Editor voor het geselecteerde tekstkader. Daar bewerk je de tekstinhoud in een afzonderlijk venster, los van de paginaweergave. |
Objecten herhalen en organiseren
| Nr. | Sneltoets | Wat doet deze sneltoets? |
|---|---|---|
| 84 | Ctrl + D | Dupliceert het geselecteerde object. Dit werkt prettig voor terugkerende kaders, labels of decoratieve onderdelen die dezelfde basisopmaak moeten behouden. |
| 85 | Ctrl + Shift + D | Opent Meervoudig dupliceren. Je maakt meerdere kopieën met ingestelde afstanden, bijvoorbeeld voor een reeks gelijkmatig verdeelde vakken of informatieblokken. |
| 86 | Ctrl + G | Groepeert geselecteerde objecten. Een combinatie van tekst, lijnen en achtergrondvlakken blijft daardoor gemakkelijker bij elkaar tijdens het verplaatsen. |
| 87 | Ctrl + Shift + G | Heft de geselecteerde groep op. Gebruik dit wanneer je een onderdeel binnen een eerder samengestelde groep afzonderlijk wilt bewerken of verwijderen. |
| 88 | Ctrl + L | Schakelt de objectvergrendeling om. Daarmee bescherm je een geplaatst onderdeel tegen onbedoelde wijzigingen en maak je het later weer beschikbaar voor bewerking. |
| 89 | Ctrl + Shift + L | Schakelt de vergrendeling van het objectformaat om. Handig wanneer een kader zijn afmetingen moet behouden tijdens verdere werkzaamheden aan de lay-out. |
| 90 | Home | Brengt een geselecteerd object vooraan in de stapelvolgorde. Gebruik deze toets in objectmodus; tijdens tekstbewerking heeft Home een andere functie. |
| 91 | End | Zet een geselecteerd object achteraan in de stapelvolgorde. Geschikt voor een achtergrondvlak dat achter andere onderdelen binnen dezelfde laag moet staan. |
| 92 | Ctrl + Home | Verplaatst het geselecteerde object één niveau naar voren. Je corrigeert hiermee de overlap met een ander object zonder de hele stapel te herschikken. |
| 93 | Ctrl + End | Verplaatst het geselecteerde object één niveau naar achteren. Dat biedt meer controle dan het object onmiddellijk helemaal achteraan in de stapel zetten. |
Eigenschappen, stijlen en weergave
| Nr. | Sneltoets | Wat doet deze sneltoets? |
|---|---|---|
| 94 | F2 | Toont of verbergt het eigenschappenpaneel. Hier bereik je instellingen voor het geselecteerde object, waaronder positie en afmetingen. |
| 95 | F3 | Toont of verbergt in Scribus 1.6 het paneel voor inhoudeigenschappen. De beschikbare instellingen hangen af van het geselecteerde tekst- of afbeeldingskader. |
| 96 | F4 | Opent in Scribus 1.6 het stijlenbeheer. Hiermee beheer je herbruikbare opmaak, zodat bijvoorbeeld koppen en lopende tekst consequent blijven. |
| 97 | F6 | Toont of verbergt het lagenpaneel. Organiseer daarin verschillende onderdelen van de publicatie en controleer op welke laag je objecten plaatst. |
| 98 | F11 | Schakelt de zichtbaarheid van de opmaakhulplijnen om. Zo kun je tijdelijk rustiger naar de compositie kijken zonder die hulpmiddelen te verwijderen. |
| 99 | F12 | Verbergt of toont de paletten. Dit levert meer werkruimte op wanneer je een pagina wilt beoordelen of tijdelijk zonder zijpanelen wilt werken. |
| 100 | Ctrl + Alt + P | Schakelt de voorvertoningsmodus in of uit. Gebruik deze om het document visueel te beoordelen voordat je verdergaat met controle en export. |
Welke sneltoetsen leer je het best als eerste?
Begin bij de handelingen die tijdens jouw werk steeds terugkomen. Wie vooral magazines opmaakt, heeft veel aan tekstkaders, tekststijlen en spreadnavigatie. Bij folders met veel beeld leveren afbeeldingen plaatsen, objecten dupliceren en de stapelvolgorde aanpassen waarschijnlijk eerder winst op.
Kies eerst vijf opdrachten uit je eigen programma. Gebruik ze tijdens een echt document totdat je niet meer hoeft na te denken over de toetsen. Voeg daarna pas een volgende groep toe. Zo blijft het overzicht een naslagwerk en wordt leren geen losse geheugenoefening.
Veelgestelde vragen over sneltoetsen voor paginaopmaak
Zijn de sneltoetsen in InDesign, Publisher en Scribus hetzelfde?
Gedeeltelijk. Opslaan werkt in alle drie met Ctrl + S, maar andere opdrachten verschillen. Ctrl + D plaatst bestanden in InDesign en dupliceert objecten in Scribus. Zoek daarom altijd in de tabel van het programma waarin je werkt.
Waarom typt een gereedschapstoets gewoon een letter?
Dan staat de tekstcursor waarschijnlijk in een tekstkader of invoerveld. Verlaat de tekstbewerking en activeer de pagina of objectselectie voordat je de losse gereedschapstoets gebruikt.
Waarom wijkt een sneltoets af van een oudere handleiding?
Een andere programmaversie, een aangepast toetsenbordprofiel of een ander besturingssysteem kan de oorzaak zijn. Bij Scribus 1.6 opent F3 bijvoorbeeld de inhoudeigenschappen en F4 het stijlenbeheer. Oudere documentatie kan F3 nog aan stijlen koppelen.
De belangrijkste inzichten
- Controleer de toepassing: dezelfde toetscombinatie kan in verschillende opmaakprogramma’s een andere opdracht uitvoeren.
- Let op je selectie: een kader bewerken en de inhoud ervan bewerken zijn afzonderlijke handelingen.
- Gebruik tekststijlen voor herhaalde opmaak en losse typografische sneltoetsen voor gerichte correcties.
- Wissel geregeld naar voorvertoning om de pagina zonder storende opmaakhulpmiddelen te beoordelen.
- Leer in kleine groepen: begin met de opdrachten die je tijdens je eigen opmaakwerk het vaakst nodig hebt.
