Sneltoetsen

⌘K
  1. Home
  2. /
  3. Docs
  4. /
  5. Sneltoetsen
  6. /
  7. Handige sneltoetscombinat...
  8. /
  9. Alle sneltoetscombinaties...

Alle sneltoetscombinaties voor presentaties – Powerpoint

100 sneltoetsen voor Microsoft PowerPoint: het complete overzicht

Met sneltoetsen in PowerPoint kun je dia’s maken, tekst opmaken, objecten ordenen en je presentatie bedienen zonder steeds naar de muis te grijpen. Dit naslagwerk bevat 100 verschillende sneltoetsen en toetscombinaties voor PowerPoint voor Windows, met praktische uitleg en aandacht voor de juiste gebruikssituatie.

Hoe gebruik je dit overzicht met PowerPoint-sneltoetsen?

De belangrijkste sneltoetscombinaties voor PowerPoint zijn onder meer Ctrl+M voor een nieuwe dia, Ctrl+D voor dupliceren en Shift+F5 om de diavoorstelling vanaf de huidige dia te starten. Voor het ontwerpen zijn vooral de combinaties voor groeperen, tekstbewerking en objectvolgorde handig. Tijdens het presenteren gebruik je weer andere opdrachten.

De onderstaande lijst bevat precies 100 verschillende sneltoetsen, verdeeld over tien categorieën. De uitleg gaat uit van de desktopversie van PowerPoint voor Windows. In PowerPoint voor Mac of de webversie kunnen combinaties afwijken.

Een plusteken tussen toetsen betekent dat je ze tegelijk indrukt. Houd bij Ctrl+M de Ctrl-toets ingedrukt, druk kort op M en laat beide los. Bij functietoetsen moet je op sommige laptops ook de Fn-toets gebruiken.

Combinaties met leestekens volgen de gebruikelijke Microsoft-notatie voor een Amerikaanse toetsenbordindeling. Op een Nederlands of Belgisch toetsenbord kunnen de benodigde toetsen verschillen. Dat geldt vooral voor vierkante haken, hoekhaken en het plusteken.

Let op waar je werkt. Een sneltoets kan iets anders doen in een tekstvak, het miniaturenvenster of een actieve diavoorstelling. Waar dat belangrijk is, staat de context bij de beschrijving.

1. Presentaties openen, opslaan en inhoud bewerken

Deze tien sneltoetsen gebruik je tijdens vrijwel iedere werksessie. Ze helpen je bestanden beheren, inhoud verplaatsen en een vergissing terugdraaien voordat je verdergaat met de volgende dia.

Nr. Sneltoets Wat doet deze sneltoets in PowerPoint?
1 Ctrl+N Maakt een nieuwe presentatie. Je bestaande bestand blijft geopend, zodat je bijvoorbeeld een afzonderlijk concept kunt beginnen zonder de huidige presentatie te wijzigen.
2 Ctrl+O Opent de omgeving waarin je een bestaande presentatie kiest. Gebruik de lijst met recente bestanden of blader naar een bestand op een andere opslaglocatie.
3 Ctrl+S Slaat de huidige presentatie op. Bij een nieuw bestand moet je eerst een naam en opslaglocatie kiezen. Tijdens een diavoorstelling heeft deze combinatie een andere functie.
4 Ctrl+Shift+S Opent de mogelijkheid om de presentatie onder een andere naam, op een andere locatie of in een ander bestandsformaat te bewaren. Handig voor afzonderlijke versies.
5 Ctrl+W Sluit de actieve presentatie. Zijn er wijzigingen die nog niet zijn opgeslagen, dan vraagt PowerPoint doorgaans eerst of je deze wilt bewaren.
6 Ctrl+P Opent tijdens het bewerken de afdrukomgeving. Kies daar bijvoorbeeld volledige dia’s, hand-outs of notitiepagina’s. Tijdens de diavoorstelling activeert dezelfde combinatie de pen.
7 Ctrl+C Kopieert geselecteerde tekst, objecten of dia’s naar het klembord. Wat wordt gekopieerd, hangt af van de selectie en het onderdeel waarin je werkt.
8 Ctrl+X Knipt geselecteerde inhoud uit. Gebruik dit bijvoorbeeld om een tekstpassage te verplaatsen of een geselecteerde dia op een andere plek in de presentatie te zetten.
9 Ctrl+V Plakt gekopieerde of geknipte inhoud. Bij dia’s en tekst kunnen plakopties bepalen of de oorspronkelijke opmaak behouden blijft of aansluit bij de bestemming.
10 Ctrl+Z Maakt de vorige bewerking ongedaan. Hiermee herstel je bijvoorbeeld een verplaatst object, verwijderde tekst of ongewenste opmaakwijziging. Herhaald indrukken gaat verder terug.

2. Dia’s dupliceren en objecten ordenen

Een presentatie bestaat vaak uit terugkerende onderdelen. Door bestaande dia’s en objecten te dupliceren, werk je sneller en behoud je consistentie. Groeperen helpt vervolgens om onderdelen samen te verplaatsen.

Nr. Sneltoets Wat doet deze sneltoets in PowerPoint?
11 Ctrl+Y Voert een ongedaan gemaakte actie opnieuw uit of herhaalt een geschikte vorige opdracht. De beschikbare werking hangt af van je laatste bewerkingen in de presentatie.
12 Ctrl+M Voegt een nieuwe dia toe na de huidige dia. PowerPoint gebruikt een passende dia-indeling op basis van de context; controleer of die aansluit bij je inhoud.
13 Ctrl+Shift+D Maakt een kopie van de geselecteerde dia of dia’s. Dit is handig wanneer je dezelfde indeling wilt behouden en alleen de tekst of afbeelding verandert.
14 Ctrl+D Dupliceert geselecteerde objecten. Je maakt zo snel een extra vorm, pictogram of tekstvak. In het miniaturenvenster kun je hiermee ook geselecteerde dia’s dupliceren.
15 Ctrl+G Groepeert geselecteerde objecten die samen gegroepeerd kunnen worden. Daardoor kun je bijvoorbeeld een pictogram met bijschrift als één geheel verplaatsen of van grootte veranderen.
16 Ctrl+Shift+G Heft de groepering van een geselecteerde groep op. Daarna kun je de afzonderlijke onderdelen weer apart selecteren, verplaatsen, verwijderen of van opmaak voorzien.
17 Ctrl+Shift+J Groepeert eerder uit elkaar gehaalde onderdelen opnieuw. Dit werkt wanneer PowerPoint de oorspronkelijke groepsrelatie nog herkent, bijvoorbeeld na het aanpassen van één onderdeel.
18 Ctrl+Shift+[ Verplaatst het geselecteerde object één laag naar achteren. Gebruik dit wanneer een vorm een ander onderdeel bedekt, maar niet helemaal achter alle objecten moet komen.
19 Ctrl+Shift+] Verplaatst het geselecteerde object één laag naar voren. Hiermee regel je stap voor stap welke afbeelding, vorm of tekstvak boven een ander onderdeel ligt.
20 Alt+Pijl-rechts Draait een geselecteerd object 15 graden met de klok mee. Dit is bruikbaar voor schuine labels of pijlen die een vaste draaihoek moeten krijgen.

3. Opmaak overnemen, animaties kopiëren en verwijzingen invoegen

Een consistente vormgeving vraagt om herhaling van dezelfde keuzes. Deze combinaties helpen daarbij. Je vindt hier ook opdrachten om een link, opmerking of wiskundige vergelijking toe te voegen.

Nr. Sneltoets Wat doet deze sneltoets in PowerPoint?
21 Alt+Pijl-links Draait het geselecteerde object 15 graden tegen de klok in. Met opeenvolgende toetsaanslagen pas je de draaiing in vaste stappen aan zonder met de muis te draaien.
22 Alt+Shift+C Kopieert de animatie-instellingen van het geselecteerde object voor gebruik met de animatiepenseelfunctie. Selecteer daarna het doelobject waarop je dezelfde animatie wilt toepassen.
23 Alt+Shift+V Past de eerder gekopieerde animatie toe op het geselecteerde object. Controleer daarna de volgorde en timing, zodat de animatie binnen de dia logisch blijft verlopen.
24 Ctrl+Shift+C Kopieert de opmaak van geselecteerde tekst of een object. Je neemt daarmee vormgevingskenmerken over om andere onderdelen dezelfde uitstraling te geven.
25 Ctrl+Shift+V Past eerder gekopieerde opmaak toe op de geselecteerde tekst of het object. Gebruik dit na het kopiëren van opmaak om verschillen tussen onderdelen snel weg te werken.
26 Ctrl+Alt+V Opent Plakken speciaal nadat je inhoud hebt gekopieerd. De beschikbare formaten hangen af van de bron, bijvoorbeeld tekst, een afbeelding of een ingesloten object.
27 Ctrl+K Opent het venster voor een hyperlink. Koppel geselecteerde tekst of een object bijvoorbeeld aan een website, een bestand of een andere dia in de presentatie.
28 Ctrl+Alt+M Voegt een nieuwe opmerking toe. Dit is handig voor feedback op een dia, een vraag aan een collega of een aandachtspunt tijdens de inhoudelijke controle.
29 Alt+= Voegt een wiskundige vergelijking in. Binnen het vergelijkingsgebied kun je formules opbouwen met passende symbolen en structuren, zoals breuken, machten en worteltekens.
30 Ctrl+A Selecteert alles binnen de actieve context: tekst in een tekstvak, objecten op een dia of dia’s in het miniaturenvenster. Controleer de selectie voordat je verdergaat.

4. Tekst opmaken op je dia’s

Selecteer eerst de tekst die je wilt aanpassen. Bij veel tekstopdrachten kun je ook de opmaak voor nieuw te typen tekst instellen. Houd rekening met de basisopmaak van het gebruikte thema.

Nr. Sneltoets Wat doet deze sneltoets in PowerPoint?
31 Ctrl+B Schakelt vetgedrukte opmaak in of uit. Gebruik dit gericht voor een kernbegrip of kort accent, zodat de belangrijkste woorden op de dia herkenbaar blijven.
32 Ctrl+I Schakelt cursieve opmaak in of uit. Dit kan passen bij een citaat, titel of specifieke term, afhankelijk van de vormgeving en leesbaarheid van je presentatie.
33 Ctrl+U Schakelt onderstrepen in of uit voor de geselecteerde tekst. Controleer of de onderstreping goed zichtbaar blijft op de achtergrond en bij het gekozen lettertype.
34 Ctrl+T Opent tijdens het bewerken het dialoogvenster Lettertype. Hier kun je meerdere tekstinstellingen tegelijk aanpassen, waaronder grootte en effecten. Tijdens de diavoorstelling werkt de combinatie anders.
35 Ctrl+Shift+> Vergroot de geselecteerde tekst naar een volgende grootte. Bruikbaar wanneer een tekstblok vanaf afstand te klein oogt en je snel een groter formaat wilt proberen.
36 Ctrl+Shift+< Verkleint de geselecteerde tekst naar een volgende grootte. Controleer daarna de leesbaarheid; tekst passend maken mag niet betekenen dat het publiek moeite krijgt met lezen.
37 Shift+F3 Wisselt bij geselecteerde tekst tussen hoofdlettervarianten, zoals kleine letters, hoofdletters en een beginhoofdletter. Controleer eigennamen en afkortingen na het wijzigen van volledige tekstpassages.
38 Ctrl+= Schakelt subscript in of uit. Geselecteerde tekens komen kleiner en lager te staan, bijvoorbeeld voor het cijfer in een chemische aanduiding zoals H₂O.
39 Ctrl+Shift+Plusteken (+) Schakelt superscript in of uit. Hiermee plaats je kleinere tekens hoger, bijvoorbeeld voor een macht zoals m² of een verwijzingsteken achter een woord.
40 Ctrl+Spatiebalk Verwijdert tijdens tekstbewerking handmatige tekenopmaak, waaronder subscript en superscript. De onderliggende opmaak krijgt weer voorrang. Bij geselecteerde media kan dezelfde combinatie afspelen of pauzeren.

5. Alinea’s, opsommingen en tekststructuur aanpassen

Een overzichtelijke dia bevat duidelijke tekstniveaus en een logische volgorde. Deze combinaties helpen om alinea’s uit te lijnen, opsommingen te ordenen en tussen tijdelijke aanduidingen te bewegen.

Nr. Sneltoets Wat doet deze sneltoets in PowerPoint?
41 Ctrl+L Lijnt de huidige of geselecteerde alinea’s links uit. Tijdens een diavoorstelling activeert deze combinatie de laseraanwijzer, waarmee je onderdelen voor het publiek kunt aanwijzen.
42 Ctrl+E Centreert de huidige of geselecteerde alinea’s. Dit past bijvoorbeeld bij een korte titel. Tijdens de diavoorstelling schakelt deze combinatie over naar de inktgum.
43 Ctrl+R Lijnt de alinea rechts uit. Je gebruikt dit bijvoorbeeld voor een bronvermelding of kort tekstblok dat aan de rechterkant van zijn tekstgebied moet aansluiten.
44 Ctrl+J Vult alinea’s uit tussen de linker- en rechterzijde van het tekstgebied. PowerPoint past de woordspatiëring aan; controleer of daardoor geen storende gaten ontstaan.
45 Alt+Shift+Pijl-links Verhoogt het niveau van een alinea, bijvoorbeeld van een subpunt naar een hoofdpunt. Tijdens mediabediening in de diavoorstelling kan deze combinatie een andere werking hebben.
46 Alt+Shift+Pijl-rechts Verlaagt het alineaniveau, bijvoorbeeld om van een hoofdpunt een subpunt te maken. De zichtbare inspringing en tekstopmaak volgen de instellingen van het gebruikte niveau.
47 Alt+Shift+Pijl-omhoog Verplaatst de huidige of geselecteerde alinea omhoog binnen de tekststructuur. Daarmee verander je de volgorde van opsommingspunten zonder ze afzonderlijk te knippen en plakken.
48 Alt+Shift+Pijl-omlaag Verplaatst de huidige of geselecteerde alinea omlaag. Handig wanneer je argumenten, stappen of agendapunten tijdens het redigeren in een andere volgorde wilt zetten.
49 Shift+Enter Voegt een regeleinde toe binnen dezelfde alinea. In een opsomming loopt de tekst daardoor op een nieuwe regel door zonder een nieuw opsommingsteken te maken.
50 Ctrl+Enter Gaat naar de volgende tijdelijke aanduiding voor titel of hoofdtekst. Vanuit de laatste tijdelijke aanduiding kan PowerPoint een nieuwe dia met dezelfde indeling toevoegen.

6. Door tekst navigeren en woorden bewerken

Ook korte diateksten worden vaak verschillende keren herschreven. Deze sneltoetsen helpen je precies naar het juiste woord te gaan. Voor de genoemde tekstwerking moet de cursor binnen een tekstgebied staan.

Nr. Sneltoets Wat doet deze sneltoets in PowerPoint?
51 Ctrl+Pijl-links Verplaatst de tekstcursor naar de vorige woordgrens. Daarmee bereik je snel een eerder woord zonder voor iedere afzonderlijke letter de pijltoets te gebruiken.
52 Ctrl+Pijl-rechts Verplaatst de tekstcursor naar de volgende woordgrens. Dit helpt wanneer je een bepaald woord verderop in de zin wilt corrigeren of aanvullen.
53 Ctrl+Pijl-omhoog Verplaatst de tekstcursor naar een eerdere alineagrens. Staat de focus op een dia in het miniaturenvenster, dan verplaats je die dia juist omhoog in de volgorde.
54 Ctrl+Pijl-omlaag Verplaatst de tekstcursor naar een volgende alineagrens. In het miniaturenvenster verplaats je hiermee de geselecteerde dia omlaag, waardoor de volgorde van de presentatie verandert.
55 Ctrl+Home Zet de tekstcursor aan het begin van het huidige tekstvak. Handig wanneer een tekstgebied meerdere alinea’s bevat en je de opening wilt aanpassen.
56 Ctrl+End Zet de tekstcursor aan het einde van het huidige tekstvak. Je kunt daar direct verder schrijven zonder eerst door alle regels van dat tekstgebied te bewegen.
57 Ctrl+Backspace Verwijdert tekst terug tot de vorige woordgrens. Daarmee haal je tijdens het herschrijven sneller een verkeerd woord weg dan met herhaaldelijk drukken op Backspace.
58 Ctrl+Delete Verwijdert tekst vooruit tot de volgende woordgrens. De exacte verwijdering hangt af van de cursorpositie, bijvoorbeeld midden in een woord of tussen twee woorden.
59 Ctrl+F Opent de zoekfunctie tijdens het bewerken. Zoek bijvoorbeeld een productnaam of begrip om terugkerende tekst in de presentatie te vinden en te controleren.
60 Ctrl+H Opent tijdens het bewerken Zoeken en vervangen. Tijdens de diavoorstelling verbergt dezelfde combinatie juist de aanwijzer en navigatieknoppen, zodat deze minder afleiden.

7. Tekst nauwkeurig selecteren

Met Shift breid je een tekstselectie uit. Combineer Shift met Ctrl om per woord of alinea te werken. Dat geeft meer controle dan slepen, vooral bij kleine tekstvakken.

Nr. Sneltoets Wat doet deze sneltoets in PowerPoint?
61 Shift+Pijl-links Breidt de tekstselectie één teken naar links uit. Gebruik dit om precies enkele letters of een leesteken te selecteren voordat je de inhoud vervangt.
62 Shift+Pijl-rechts Breidt de tekstselectie één teken naar rechts uit. Houd Shift vast en druk herhaaldelijk om de gewenste tekens binnen de selectie op te nemen.
63 Shift+Pijl-omhoog Breidt de selectie uit naar de overeenkomstige positie op de regel erboven. De geselecteerde tekst hangt af van de cursorpositie en de regelafbreking.
64 Shift+Pijl-omlaag Breidt de selectie uit naar de overeenkomstige positie op de regel eronder. Hiermee selecteer je tekst over meerdere zichtbare regels binnen hetzelfde tekstgebied.
65 Ctrl+Shift+Pijl-links Breidt de selectie naar links uit tot een woordgrens. Dit is handig om een formulering van enkele woorden te selecteren en in één keer te vervangen.
66 Ctrl+Shift+Pijl-rechts Breidt de selectie naar rechts uit tot een woordgrens. Herhaal de combinatie om meerdere woorden mee te nemen zonder de muis te gebruiken.
67 Ctrl+Shift+Pijl-omhoog Selecteert tekst tot een eerdere alineagrens. Met een dia geselecteerd in het miniaturenvenster verplaatst deze combinatie de dia juist naar het begin van de presentatie.
68 Ctrl+Shift+Pijl-omlaag Selecteert tekst tot een volgende alineagrens. In het miniaturenvenster verplaatst dezelfde combinatie de geselecteerde dia naar het einde van de presentatie.
69 Shift+Home Selecteert vanaf de tekstcursor tot het begin van de huidige regel. Daarmee kun je het eerste gedeelte van een tekstregel gericht aanpassen of verwijderen.
70 Shift+End Selecteert vanaf de tekstcursor tot het einde van de huidige regel. Handig wanneer je een zinsdeel wilt inkorten terwijl het begin behouden blijft.

8. Deelvensters, hulplijnen en tabellen gebruiken

PowerPoint heeft verschillende werkgebieden. Deze combinaties helpen om daartussen te bewegen en objecten te vinden. Hulplijnen en het raster geven extra houvast bij het plaatsen van vormen en tekstvakken.

Nr. Sneltoets Wat doet deze sneltoets in PowerPoint?
71 Alt+F10 Opent het selectievenster met de objecten op de huidige dia. Dit is vooral handig wanneer objecten elkaar overlappen of moeilijk rechtstreeks aan te klikken zijn.
72 Alt+F9 Toont of verbergt de hulplijnen op het werkvlak. Gebruik ze om onderdelen consequent te plaatsen, bijvoorbeeld titels of afbeeldingen die op dezelfde positie moeten staan.
73 Shift+F9 Toont of verbergt het raster. Dit geeft visuele ondersteuning bij het verdelen van objecten; de rasterweergave is een ontwerphulpmiddel en verschijnt niet in de diavoorstelling.
74 Ctrl+Shift+Tab Wisselt in het betreffende navigatiegebied tussen het overzicht met tekst en de diaminiaturen. Zo bekijk je dezelfde presentatie vanuit inhoudelijke opbouw of visuele volgorde.
75 Shift+F6 Verplaatst de focus achteruit door de werkgebieden van PowerPoint. Daarmee bereik je bijvoorbeeld het diagebied, het lint of een geopend deelvenster via het toetsenbord.
76 Ctrl+F1 Vouwt het lint samen of uit. Door de opdrachten tijdelijk te verbergen, houd je meer schermruimte over voor het ontwerpen van de huidige dia.
77 Ctrl+F6 Wisselt naar een volgend geopend PowerPoint-venster. Handig wanneer je informatie uit een andere presentatie gebruikt of verschillende versies met elkaar wilt vergelijken.
78 Ctrl+Tab Voegt tijdens het bewerken van een tabelcel een tabteken binnen die cel in. Je blijft daardoor in dezelfde cel, in plaats van naar de volgende te gaan.
79 Shift+F10 Opent het contextmenu voor het geselecteerde onderdeel. Je krijgt passende opdrachten te zien, zoals bij rechtsklikken op een object, tekstselectie of dia.
80 Shift+F4 Herhaalt de laatste zoekactie. Hiermee ga je verder naar een volgende overeenkomst zonder de zoekterm opnieuw in te voeren, bijvoorbeeld bij het nalopen van een naam.

9. Presenteren starten en je werkweergave aanpassen

Een dia beoordelen op het werkvlak is iets anders dan hem schermvullend bekijken. Start de diavoorstelling daarom regelmatig tijdens het ontwerpen. De presentatorweergave helpt bovendien om je verhaal met notities te oefenen.

Nr. Sneltoets Wat doet deze sneltoets in PowerPoint?
81 F5 Start de diavoorstelling vanaf de eerste dia. Dit is een afzonderlijke functietoets en een van de belangrijkste sneltoetsen voor het controleren van de volledige presentatie.
82 Shift+F5 Start de diavoorstelling vanaf de huidige dia. Gebruik dit om een aangepaste dia, overgang of animatie te testen zonder steeds vanaf het begin te presenteren.
83 Alt+F5 Start de presentatie in de presentatorweergave. Dit kan ook met één scherm, bijvoorbeeld om het werken met sprekersnotities en presentatiebediening vooraf te oefenen.
84 Ctrl+Plusteken (+) Zoomt tijdens het bewerken in op het werkvlak. Daarmee bekijk je kleine details beter, zoals de plaatsing van een pictogram of de aansluiting tussen vormen.
85 Ctrl+Minteken (-) Zoomt tijdens het bewerken uit. Handig om de volledige compositie te beoordelen of ruimte rond de dia te zien wanneer daar objecten staan.
86 Ctrl+Alt+O Past de zoomweergave aan zodat de dia in de beschikbare werkruimte past. Gebruik dit om na detailwerk snel terug te keren naar een bruikbaar totaalbeeld.
87 Ctrl+Alt+5 Verplaatst de focus naar een zwevend object, zoals een afbeelding of tekstvak. Vervolgens kun je met Tab verder door de beschikbare objecten op de dia navigeren.
88 Alt+Shift+1 Toont in de overzichtsweergave alleen koppen van het eerste niveau. Daarmee bekijk je de hoofdlijn van de presentatie zonder alle onderliggende tekst in beeld.
89 Ctrl+Page Up Schuift in het notitiegebied van de presentatorweergave ongeveer één scherm omhoog. Dit helpt wanneer je sprekersnotities langer zijn dan de beschikbare zichtbare ruimte.
90 Ctrl+Page Down Schuift in het notitiegebied van de presentatorweergave ongeveer één scherm omlaag. De dia voor het publiek verandert hierdoor niet; je bladert door je eigen notities.

10. Video en audio bedienen tijdens de diavoorstelling

Deze combinaties gebruik je tijdens de diavoorstelling voor ondersteunde audio en video die vanaf een bestand zijn ingevoegd. Ze werken niet vanzelfsprekend bij onlinevideo’s. Test de mediabediening vooraf met het daadwerkelijke presentatiebestand.

Nr. Sneltoets Wat doet deze sneltoets in PowerPoint?
91 Alt+P Speelt de betreffende media af of pauzeert deze. Handig wanneer je een videofragment tijdelijk wilt onderbreken om iets toe te lichten aan het publiek.
92 Alt+Q Stopt het afspelen van media. Dit verschilt van pauzeren: je beëindigt de afspeelactie, in plaats van het fragment alleen op de huidige positie te onderbreken.
93 Alt+U Dempt het geluid van de betreffende media. Gebruik dit wanneer je beelden wilt blijven tonen terwijl je zelf toelichting geeft zonder hoorbare audio uit het fragment.
94 Alt+Pijl-omhoog Verhoogt het volume van de media. Het uiteindelijke geluidsniveau hangt daarnaast af van het systeemvolume en de aangesloten luidsprekers of presentatie-installatie.
95 Alt+Pijl-omlaag Verlaagt het volume van de media. Hiermee pas je het geluid tijdens de diavoorstelling aan zonder eerst de afspeelbalk met de muis te hoeven bedienen.
96 Alt+Home Gaat naar de vorige bladwijzer in het mediabestand, wanneer die is ingesteld. Zo bereik je een vooraf gemarkeerd moment zonder handmatig door het fragment te zoeken.
97 Alt+End Gaat naar de volgende ingestelde mediabladwijzer. Dit is bruikbaar wanneer je een langer fragment vooraf hebt verdeeld in momenten die je afzonderlijk wilt bespreken.
98 Alt+Shift+Page Up Springt ongeveer drie seconden terug in de media. Gebruik dit om een korte uitspraak of handeling opnieuw te tonen zonder het hele fragment te herstarten.
99 Alt+Shift+Page Down Springt ongeveer drie seconden vooruit in de media. Hiermee sla je een klein stukje over terwijl je binnen de lopende diavoorstelling blijft.
100 Alt+J Toont of verbergt het menu voor audio en ondertiteling bij ondersteunde video’s. De beschikbare keuzes hangen af van aanwezige audiotracks, ondertitelsporen en het bestandsformaat.

Welke PowerPoint-sneltoetsen leer je het beste eerst?

Begin met de opdrachten die je tijdens het maken van een presentatie steeds herhaalt. Voor de meeste gebruikers zijn een nieuwe dia invoegen, dupliceren, groeperen en opslaan een goede start. Voeg daarna de combinaties toe voor tekstgrootte, opmaak overnemen en objectvolgorde.

Oefen de presentatiebediening afzonderlijk. Een sneltoets die tijdens het ontwerpen vertrouwd voelt, kan tijdens de diavoorstelling iets anders doen. Test daarom ook eventuele video’s, sprekersnotities en aanwijzers voordat je voor een publiek staat.

De belangrijkste punten om te onthouden

  • Controleer de actieve context: tekst, objecten, diaminiaturen en de diavoorstelling hebben ieder hun eigen werking.
  • Dupliceer terugkerende onderdelen: dat bespaart tijd en helpt om de vormgeving consequent te houden.
  • Groepeer onderdelen die bij elkaar horen: zo verplaats je ze gemakkelijker als één geheel.
  • Test dia’s tijdens het ontwerpen: met Shift+F5 bekijk je direct de huidige dia in de diavoorstelling.
  • Oefen mediabediening vooraf: de ondersteuning hangt af van het ingevoegde bestand en de afspeelcontext.