Valuta › Euro - Pond
Talen › Nederlands • Engels • Frans • Italiaans • Spaans • Duits • Zweeds
Leveringstermijn › E-mail met licentie binnen 2 minuten geleverd
Alle sneltoetscombinaties voor productontwerp
100 belangrijke sneltoetsen voor productontwerp: SOLIDWORKS, Fusion, Inventor, FreeCAD en Rhino
Met sneltoetsen voor productontwerp start je tekenfuncties, pas je 3D-modellen aan en controleer je onderdelen zonder telkens door menu’s te zoeken. Dit naslagwerk bevat 100 praktische vermeldingen voor SOLIDWORKS, Autodesk Fusion, Inventor, FreeCAD en Rhino, inclusief de context waarin ze werken.
Welke sneltoetsen gebruik je bij productontwerp?
Bij productontwerp zijn vooral sneltoetsen voor schetsen, maatvoering, modelleren, selecteren en modelweergave nuttig. Daarmee teken je bijvoorbeeld een profiel, geef je een onderdeel dikte, maak je afrondingen of bekijk je een verbinding vanuit een andere richting.
De bediening verschilt per programma. In Autodesk Fusion opent E bijvoorbeeld Extrude. In SOLIDWORKS bedient E standaard het selectiefilter voor randen. En in FreeCAD kan een sneltoets uit twee opeenvolgende letters bestaan. De juiste werkomgeving is daarom minstens zo belangrijk als de toets zelf.
Onderstaande tabellen gaan uit van de standaardtoewijzingen voor Windows. Bij FreeCAD vormt de bediening vanaf versie 1.0 het uitgangspunt; bij Rhino gaat het om de gebruikelijke Windows-toewijzingen. Aangepaste gebruikersprofielen kunnen afwijken.
Je krijgt 20 vermeldingen per programma, samen precies 100. Sommige toetsen komen in meerdere programma’s terug, met een overeenkomstige of juist verschillende functie.
Zo lees je de toetscombinaties
- Ctrl + B: houd Ctrl ingedrukt en druk tegelijk op B.
- E: druk eenmaal op de lettertoets. Je hoeft hiervoor geen hoofdletter te typen.
- G → L: druk eerst op G, laat los en druk daarna op L.
- Toets ingedrukt + slepen: houd de genoemde toets vast tijdens de muisbeweging.
Let op de actieve invoer: staat de cursor in een maatveld, zoekvak of tekstvak, dan kan een letter daar terechtkomen. Activeer het modelvenster voordat je een gereedschap met het toetsenbord start.
| Programma | Nummers | Belangrijkste onderwerpen |
|---|---|---|
| SOLIDWORKS | 1–20 | Model herbouwen, selectiefilters, componenten en standaardaanzichten. |
| Autodesk Fusion | 21–40 | Schetsen, extrusies, gaten, verbindingen en modelcontrole. |
| Autodesk Inventor | 41–60 | Schetsbeperkingen, vormbewerkingen, patronen en modelnavigatie. |
| FreeCAD | 61–80 | Zichtbaarheid, herberekenen, Sketcher-geometrie en constraints. |
| Rhino | 81–100 | Controlepunten, objectbeheer, verbinden, trimmen en splitsen. |
SOLIDWORKS: 20 belangrijke sneltoetsen voor productontwerp
In SOLIDWORKS helpen sneltoetsen vooral om selecties, modelwijzigingen en aanzichten vlot te bedienen. Een schets, onderdeel, samenstelling en tekening hebben elk hun eigen context. De S-balk past zich aan die omgeving aan.
Gereedschappen openen en het model bijwerken
| Nr. | Sneltoets | Wat doet deze sneltoets? |
|---|---|---|
| 1 | S | Opent de contextafhankelijke sneltoetsbalk bij de cursor. Gebruik deze om veelgebruikte functies voor schetsen, onderdelen, samenstellingen of tekeningen direct te bereiken. |
| 2 | D | Verplaatst de bevestigingsknoppen of selectiebreadcrumbs naar de cursor, afhankelijk van de context. Klik na waarde-invoer eerst in het grafische gebied. |
| 3 | Ctrl + B | Bouwt gewijzigde features en hun afhankelijke onderdelen opnieuw op. Gebruik dit om veranderingen in afmetingen of geometrie in het model te verwerken. |
| 4 | Ctrl + Q | Forceert een uitgebreidere herbouw. Bij een onderdeel worden alle features herbouwd; bij een samenstelling geldt de opdracht voor het hoogste samenstellingsniveau. |
Praktisch: verander je een maat van een behuizing, controleer dan na het herbouwen ook de uitsparingen en afrondingen die daarvan afhankelijk zijn. Een bijgewerkt model kan nog steeds een foutmelding bevatten.
Nauwkeurig selecteren en componenten zichtbaar maken
| Nr. | Sneltoets | Wat doet deze sneltoets? |
|---|---|---|
| 5 | F5 | Toont of verbergt de werkbalk Selection Filter. Daarmee kies je welke soorten elementen, zoals vlakken, randen of punten, selecteerbaar moeten zijn. |
| 6 | F6 | Schakelt de ingestelde selectiefilters in of uit. Handig wanneer je merkt dat bepaalde objecten ineens niet meer geselecteerd kunnen worden. |
| 7 | E | Bedient het selectiefilter voor randen. Gebruik dit wanneer je bijvoorbeeld randen voor een bewerking wilt kiezen zonder telkens een aangrenzend vlak te selecteren. |
| 8 | X | Bedient het selectiefilter voor vlakken. Dat helpt bij modellen met veel kleine details, waar vlakken en randen dicht bij elkaar liggen. |
| 9 | V | Bedient het selectiefilter voor hoekpunten. Praktisch wanneer je specifieke punten nodig hebt voor referenties, metingen of het definiëren van geometrische relaties. |
| 10 | Tab | Verbergt in een samenstelling de component onder de cursor. Gebruik dit wanneer geen andere opdracht actief is om achterliggende onderdelen bereikbaar te maken. |
| 11 | Shift + Tab | Toont in een samenstelling verborgen componenten onder de cursor. Plaats de aanwijzer boven het gebied waar het verborgen onderdeel zich bevindt. |
Het product vanuit de juiste richting bekijken
| Nr. | Sneltoets | Wat doet deze sneltoets? |
|---|---|---|
| 12 | Spatiebalk | Opent View Orientation. Kies een standaardaanzicht of een opgeslagen kijkrichting om het model vanuit een herkenbare positie te beoordelen. |
| 13 | F | Voert Zoom to Fit uit. Brengt het model passend in beeld wanneer je ver hebt ingezoomd of het overzicht bent kwijtgeraakt. |
| 14 | Z | Zoomt uit in het grafische venster. Gebruik dit om omliggende onderdelen of de volledige vorm van het product weer te zien. |
| 15 | Shift + Z | Zoomt in op de modelweergave. Handig om details te bekijken zonder de geometrie zelf te vergroten of afmetingen aan te passen. |
| 16 | Ctrl + 1 | Schakelt naar het vooraanzicht. Controleer hiermee bijvoorbeeld de hoofdcontour, symmetrie of plaatsing van elementen aan de voorkant van het ontwerp. |
| 17 | Ctrl + 4 | Schakelt naar het rechterzijaanzicht. Geschikt om de diepteverdeling en positie van details langs de zijkant van een product te beoordelen. |
| 18 | Ctrl + 5 | Schakelt naar het bovenaanzicht. Bekijk zo de footprint van het product en de onderlinge plaatsing van onderdelen in het horizontale vlak. |
| 19 | Ctrl + 7 | Schakelt naar het isometrische aanzicht. Dit geeft een ruimtelijk overzicht waarin meerdere zijden van een onderdeel of samenstelling tegelijk zichtbaar zijn. |
| 20 | Ctrl + 8 | Voert Normal To uit. Richt de weergave loodrecht op een geschikte selectie, bijvoorbeeld een vlak of schets die je wilt bewerken. |
Autodesk Fusion: 20 belangrijke sneltoetsen voor productontwerp
De Fusion-toetsen hieronder horen bij de Design-omgeving, met schetsfuncties tijdens het bewerken van een schets. In bijvoorbeeld Drawing, Animation of Manufacture kunnen dezelfde letters andere opdrachten starten.
Schetsen tekenen, bematen en aanpassen
| Nr. | Sneltoets | Wat doet deze sneltoets? |
|---|---|---|
| 21 | L | Start Line in een actieve schets. Teken rechte segmenten die bijvoorbeeld de basis vormen voor een profiel, uitsparing of constructieve referentie. |
| 22 | R | Start de rechthoek met twee hoekpunten. Gebruik deze voor eenvoudige productprofielen, zoals de doorsnede van een doosvormige behuizing of montageplaat. |
| 23 | C | Start Center Diameter Circle. Leg een cirkel vast vanuit het middelpunt en de diameter, bijvoorbeeld als voorbereiding op een cilindrisch onderdeel. |
| 24 | D | Start Sketch Dimension. Voeg maten toe aan schetsgeometrie om lengtes, diameters, afstanden of hoeken doelgericht vast te leggen. |
| 25 | T | Start Trim binnen een schets. Verwijder overbodige delen van schetselementen bij snijpunten, zodat het gewenste profiel overblijft voor verdere modellering. |
| 26 | O | Start Offset binnen een schets. Maak een verschoven contour op een bepaalde afstand, bijvoorbeeld voor een rand, groef of wandprofiel. |
| 27 | P | Start Project binnen een schets. Neem geschikte bestaande geometrie als projectie over in het schetsvlak om nieuwe details daarop te baseren. |
| 28 | X | Wisselt in de schetscontext tussen normale geometrie en constructiegeometrie. Gebruik hulplijnen voor uitlijning zonder ze onderdeel van het gewone profiel te maken. |
Van schets naar productvorm
| Nr. | Sneltoets | Wat doet deze sneltoets? |
|---|---|---|
| 29 | E | Start Extrude. Geef een profiel hoogte of diepte en kies, afhankelijk van de situatie, voor toevoegen, uitsnijden of een nieuwe body. |
| 30 | Q | Start Press Pull. De functie reageert op de geselecteerde geometrie en biedt bijvoorbeeld een extrusie of verschuiving van een vlak. |
| 31 | F | Start Fillet voor modelgeometrie. Maak afrondingen op geschikte randen om overgangen vorm te geven, bijvoorbeeld aan een handgreep of behuizing. |
| 32 | H | Start Hole. Maak een gat met beschikbare opties voor onder meer afmetingen en uitvoering, passend bij de gewenste constructie. |
| 33 | M | Start Move/Copy. Verplaats of draai geschikte selecties en kies waar beschikbaar voor een kopie. Let op het gekozen objecttype. |
| 34 | I | Opent Measure. Controleer afstanden, hoeken en andere beschikbare geometrische waarden door de relevante punten, randen, vlakken of objecten te selecteren. |
Componenten verbinden en het ontwerp controleren
| Nr. | Sneltoets | Wat doet deze sneltoets? |
|---|---|---|
| 35 | J | Start Joint. Definieer hoe twee componenten ten opzichte van elkaar worden geplaatst en welke beweging de verbinding toestaat. |
| 36 | Shift + J | Start As-built Joint. Leg een verbinding vast tussen componenten die al op hun bedoelde positie staan, zonder ze eerst opnieuw te positioneren. |
| 37 | A | Opent Appearance. Geef onderdelen een visuele afwerking; deze uiterlijkinstelling staat los van het toewijzen van fysieke materiaaleigenschappen. |
| 38 | V | Wisselt de zichtbaarheid van een geschikte selectie. Verberg bijvoorbeeld een onderdeel om een aansluiting of inwendig detail beter te kunnen beoordelen. |
| 39 | S | Opent de gereedschapszoekfunctie en snelkoppelingen van de actieve context. Zoek een opdracht wanneer je de plek in het menu niet direct weet. |
| 40 | Ctrl + B | Voert Compute All uit. Laat Fusion het ontwerp opnieuw berekenen en controleer daarna eventuele meldingen bij features in de tijdlijn. |
Handig onderscheid: E bouwt geometrie vanuit een profiel op. J legt de relatie tussen componenten vast. Een body en een component hebben binnen Fusion verschillende rollen.
Autodesk Inventor: 20 belangrijke sneltoetsen voor productontwerp
Inventor gebruikt zowel echte toetscombinaties als command aliases: letters die een opdracht starten. Onderstaande lettertoetsen gelden binnen de genoemde omgeving. Afhankelijk van de ingestelde aliasinvoer start de opdracht direct of bevestig je de keuze met Enter of de spatiebalk.
Schetsgeometrie en beperkingen
| Nr. | Sneltoets | Wat doet deze sneltoets? |
|---|---|---|
| 41 | L | Start Line in de schetsomgeving. Maak lijnen en, via de beschikbare bediening, bogen voor het profiel waarop een modelbewerking wordt gebaseerd. |
| 42 | D | Start General Dimension in een schets of tekening. Leg afmetingen vast of plaats maatvoering, afhankelijk van het actieve document. |
| 43 | O | Start Offset in de schetsomgeving. Dupliceer geschikte schetsgeometrie op een bepaalde afstand om bijvoorbeeld een tweede contour te maken. |
| 44 | X | Start Trim in een schets. Knip ongewenste delen weg nadat je geometrie hebt laten overlappen om een productprofiel op te bouwen. |
| 45 | = | Past de Equal-beperking toe op geschikte schetsgeometrie. Maak bijvoorbeeld lijnlengtes of cirkelstralen gelijk zonder dezelfde maat steeds afzonderlijk in te voeren. |
| 46 | F7 | Activeert Slice Graphics tijdens schetsbewerking. Verbergt tijdelijk het modelgedeelte vóór het schetsvlak, zodat interne schetsgeometrie beter bereikbaar wordt. |
| 47 | F8 | Toont alle schetsbeperkingen. Gebruik dit om te bekijken welke relaties de positie en vorm van je schetsgeometrie bepalen. |
| 48 | F9 | Verbergt de weergegeven schetsbeperkingen. Dat maakt een drukke schets beter leesbaar, terwijl de beperkingen zelf gewoon blijven bestaan. |
Features en herhalende vormen maken
| Nr. | Sneltoets | Wat doet deze sneltoets? |
|---|---|---|
| 49 | E | Start Extrude in de onderdeelcontext. Zet een geschikt profiel om in volume of verwijder materiaal met de beschikbare bewerkingsinstellingen. |
| 50 | R | Start Revolve. Draai een profiel rond een as om bijvoorbeeld een knop, bus, schijf of ander rotatiesymmetrisch onderdeel te maken. |
| 51 | H | Start Hole in de modelomgeving. Maak een gatfeature en bepaal de gewenste uitvoering via de instellingen van de opdracht. |
| 52 | F | Start Fillet in de onderdeelcontext. Rond geschikte randen of overgangen af met een gekozen straal voor de gewenste productgeometrie. |
| 53 | Ctrl + Shift + K | Start Chamfer. Maak afschuiningen aan geselecteerde randen, bijvoorbeeld om een invoerrand of een specifiek randdetail in het ontwerp vast te leggen. |
| 54 | Ctrl + Shift + L | Start Loft. Bouw een overgang tussen meerdere profielen, bijvoorbeeld voor een behuizing die van een rechthoekige naar een ronde doorsnede verloopt. |
| 55 | Ctrl + Shift + S | Start Sweep. Laat een profiel een geschikt pad volgen, bijvoorbeeld om een geleider, gebogen kanaal of specifieke langsdoorsnede te modelleren. |
| 56 | Ctrl + Shift + M | Start Mirror in de onderdeelomgeving. Spiegel geschikte modelbewerkingen om symmetrische details te maken zonder ze volledig opnieuw op te bouwen. |
| 57 | Ctrl + Shift + O | Start Circular Pattern. Herhaal geschikte features rond een as, bijvoorbeeld voor een cirkelvormige verdeling van bevestigingsgaten. |
| 58 | Ctrl + Shift + R | Start Rectangular Pattern. Herhaal geschikte features in één of twee richtingen met ingestelde aantallen en afstanden, bijvoorbeeld voor een gatenraster. |
Het model ruimtelijk bekijken
| Nr. | Sneltoets | Wat doet deze sneltoets? |
|---|---|---|
| 59 | F6 | Keert terug naar de Home View, standaard een isometrische kijkrichting. Een aangepaste Home View kan een andere oriëntatie opleveren. |
| 60 | F4 ingedrukt + slepen | Activeert het roteren van de modelweergave. Bekijk het onderdeel vanuit een andere hoek zonder de werkelijke geometrische positie te wijzigen. |
Let op: Ctrl + Shift + S start hier Sweep. Neem dus niet automatisch aan dat deze combinatie in iedere ontwerpapplicatie voor ‘Opslaan als’ staat.
FreeCAD: 20 belangrijke sneltoetsen voor productontwerp
FreeCAD verdeelt functies over workbenches. De algemene bediening hieronder werkt rond het modelvenster; de Sketcher-toetsen gebruik je tijdens het bewerken van een schets. Opeenvolgende toetsen, zoals G → L, druk je na elkaar in zonder Enter.
Modelweergave, zichtbaarheid en herberekenen
| Nr. | Sneltoets | Wat doet deze sneltoets? |
|---|---|---|
| 61 | V → F | Voert Fit All uit. Past de kijkpositie en vergroting aan zodat alle zichtbare objecten binnen het actieve 3D-venster passen. |
| 62 | V → S | Voert Fit Selection uit. Brengt geselecteerde objecten passend in beeld, bijvoorbeeld wanneer een klein productdetail tussen grotere onderdelen moeilijk te vinden is. |
| 63 | Spatiebalk | Wisselt de zichtbaarheid van geselecteerde objecten. Selecteer een verborgen object in de modelboom om het met dezelfde toets weer zichtbaar te maken. |
| 64 | Ctrl + D | Opent de weergave-eigenschappen van geselecteerde objecten. Pas beschikbare visuele instellingen aan, bijvoorbeeld om onderdelen tijdens modelcontrole beter van elkaar te onderscheiden. |
| 65 | 1 | Schakelt naar het vooraanzicht. Gebruik dit om de vorm vanuit een vaste richting te bekijken en onderdelen visueel met elkaar te vergelijken. |
| 66 | 2 | Schakelt naar het bovenaanzicht. Handig om de ligging van gaten, contouren en onderlinge posities in het horizontale vlak te beoordelen. |
| 67 | Ctrl + R | Herberekent documentobjecten die een update nodig hebben. Controleer daarna de modelboom op fouten of afhankelijkheden die niet correct konden worden bijgewerkt. |
| 68 | Ctrl + S | Slaat het actieve document op. Gebruik dit bijvoorbeeld na een afgeronde ontwerpstap of voordat je een andere constructievariant uitprobeert. |
| 69 | Ctrl + Z | Maakt de vorige bewerking ongedaan wanneer deze in de geschiedenis beschikbaar is. Controleer het resultaat voordat je meerdere stappen teruggaat. |
| 70 | Ctrl + Y | Voert een ongedaan gemaakte bewerking opnieuw uit wanneer deze nog beschikbaar is. Daarmee herstel je een stap die je te ver terugdraaide. |
Profielen tekenen in Sketcher
| Nr. | Sneltoets | Wat doet deze sneltoets? |
|---|---|---|
| 71 | G → L | Start Create Line. Teken een rechte lijn in de actieve schets, bijvoorbeeld als onderdeel van een profiel of als constructieve referentie. |
| 72 | G → M | Start Create Polyline. Bouw een reeks verbonden lijn- en boogsegmenten op, bijvoorbeeld voor een doorsnede die later volume krijgt. |
| 73 | G → C | Start de cirkeltool vanuit de middelpuntmethode. Definieer een ronde contour voor bijvoorbeeld een cilindrisch detail, uitsparing of rotatiesymmetrische basisvorm. |
| 74 | G → R | Start Create Rectangle. Maak een rechthoekig profiel; recente versies bieden binnen het gereedschap aanvullende modi en opties voor de vorm. |
| 75 | G → N | Wisselt geselecteerde schetsgeometrie tussen normaal en constructie. Zonder selectie verandert de tekenmodus, zodat nieuwe geometrie als gewone of hulpgeometrie ontstaat. |
Schetsen vastleggen met maten en constraints
| Nr. | Sneltoets | Wat doet deze sneltoets? |
|---|---|---|
| 76 | D | Start vanaf FreeCAD 1.0 de contextafhankelijke Dimension-tool. Op basis van je selectie stelt deze passende maten of geometrische beperkingen voor. |
| 77 | H | Past een horizontale beperking toe op geschikte lijnen of punten. De uitlijning wordt vastgelegd ten opzichte van de horizontale schetsas. |
| 78 | V | Past een verticale beperking toe op geschikte lijnen of punten. Gebruik dit om de bedoelde richting vast te leggen binnen het schetsvlak. |
| 79 | C | Start de Coincident-beperking om punten te laten samenvallen. Afhankelijk van de voorkeuren gebruikt FreeCAD de gecombineerde Coincident- en Point-on-object-tool. |
| 80 | E | Past Equal toe op geschikte gelijksoortige elementen. Maak bijvoorbeeld twee lijnen even lang of geef cirkels dezelfde straal. |
Een schets die er gesloten uitziet, hoeft niet verbonden te zijn. Gebruik geometrische beperkingen om relaties vast te leggen. Alleen punten op dezelfde schermpositie tekenen biedt daarvoor onvoldoende zekerheid.
Rhino: 20 belangrijke sneltoetsen voor productontwerp
Rhino wordt veel gebruikt voor productvormen met curves, oppervlakken en vrije vormen. De onderstaande toetsen helpen bij controlepunten, objectbeheer en het aanpassen van geometrie. Selecteer bewust of je met een heel object, een onderdeel daarvan of afzonderlijke controlepunten werkt.
Eigenschappen, tekenhulpen en controlepunten
| Nr. | Sneltoets | Wat doet deze sneltoets? |
|---|---|---|
| 81 | F2 | Opent de commandogeschiedenis. Lees recente opdrachten, opties en resultaten terug wanneer je een bewerking wilt controleren of een melding hebt gemist. |
| 82 | F3 | Opent het Properties-paneel. Bekijk en wijzig beschikbare eigenschappen van geselecteerde objecten, zoals hun organisatie en weergave binnen het productmodel. |
| 83 | F5 | Bedient de Selection Filter-weergave. Gebruik selectiefilters om gewenste objecttypen gemakkelijker te selecteren in een model met verschillende soorten geometrie. |
| 84 | F7 | Bedient de rasterweergave en rasterassen via de standaardmacro. Het raster is een visueel hulpmiddel op het actieve constructievlak. |
| 85 | F8 | Schakelt Ortho in of uit. Beperk geschikte invoerrichtingen volgens de Ortho-instellingen om geometrie gericht langs vaste hoeken te construeren. |
| 86 | F9 | Schakelt Grid Snap in of uit. Laat de cursor de ingestelde rasterstappen volgen wanneer je punten volgens een regelmatig patroon wilt plaatsen. |
| 87 | F10 | Toont controlepunten van geschikte geselecteerde geometrie. Pas daarmee bijvoorbeeld de vorm van een curve of een afzonderlijk oppervlak gericht aan. |
| 88 | F11 | Schakelt de weergave van controlepunten en verwante bewerkingspunten uit. De aangebrachte geometriewijzigingen blijven behouden; alleen de puntenweergave verdwijnt. |
Objecten organiseren en tijdelijk beschermen
| Nr. | Sneltoets | Wat doet deze sneltoets? |
|---|---|---|
| 89 | Ctrl + G | Groepeert geselecteerde objecten. Houd bijvoorbeeld de losse curves en oppervlakken van een productdetail bij elkaar zonder ze geometrisch samen te voegen. |
| 90 | Ctrl + Shift + G | Heft een groepering op. De objecten blijven bestaan, maar je kunt ze daarna weer afzonderlijk benaderen volgens de overige selectie-instellingen. |
| 91 | Ctrl + H | Verbergt geselecteerde objecten. Maak ruimte in het beeld om bijvoorbeeld een interne aansluiting te bewerken zonder omliggende geometrie te verwijderen. |
| 92 | Ctrl + Shift + H | Start ShowSelected. Kies welke verborgen objecten opnieuw zichtbaar worden, zodat je gericht onderdelen terughaalt zonder alles tegelijk te tonen. |
| 93 | Ctrl + L | Vergrendelt geselecteerde objecten. Bescherm referentiegeometrie tegen gewone selectie en onbedoelde wijzigingen terwijl je aan omliggende productvormen werkt. |
| 94 | Ctrl + Shift + L | Start UnlockSelected. Kies welke vergrendelde objecten weer bewerkbaar worden, bijvoorbeeld wanneer je een eerder vastgezette referentie wilt aanpassen. |
Geometrie verbinden, trimmen en hergebruiken
| Nr. | Sneltoets | Wat doet deze sneltoets? |
|---|---|---|
| 95 | Ctrl + J | Start Join. Verbind geschikte aansluitende curves of oppervlakken. Het resultaat hangt onder meer af van geometrie en tolerantie; een gesloten volume ontstaat niet automatisch. |
| 96 | Ctrl + T | Start Trim. Gebruik snijgeometrie om ongewenste delen weg te nemen, bijvoorbeeld wanneer een productoppervlak bij een bepaalde contour moet eindigen. |
| 97 | Ctrl + Shift + S | Start Split. Verdeel geschikte geometrie met snijobjecten, waarbij de resulterende delen behouden blijven voor verdere selectie en bewerking. |
| 98 | Ctrl + B | Start Block. Maak van geselecteerde objecten een herbruikbare blokdefinitie, bijvoorbeeld voor onderdelen die meerdere keren in een productopstelling voorkomen. |
| 99 | Ctrl + M | Maximaliseert het actieve viewport of herstelt de vensterindeling. Handig om tijdelijk meer ruimte te geven aan het aanzicht waarin je werkt. |
| 100 | Ctrl + Shift + E | Voert Zoom Extents uit in het actieve viewport. Brengt de relevante zichtbare modelgeometrie passend in beeld om het overzicht te herstellen. |
Trim en Split verschillen: Trim verwijdert gekozen delen, terwijl Split de geometrie opdeelt en de stukken bewaart. Kies dus op basis van wat je na de bewerking nodig hebt.
Sneltoetsen praktisch toepassen tijdens productontwerp
Leer de toetsen in de volgorde waarin je ontwerpt. Begin met een schets, leg afmetingen en relaties vast, bouw de hoofdvorm op en controleer daarna de details. Een reeks van vijf goed gekozen toetsen helpt vaak meer dan twintig opdrachten die je zelden gebruikt.
Voor een eenvoudige behuizing in Fusion kun je bijvoorbeeld R gebruiken voor de basisrechthoek, D voor de afmetingen, E voor de hoofdvorm en F voor afrondingen. Met I controleer je vervolgens relevante afstanden. De toetsen versnellen de bediening; je ontwerpkeuzes en controles blijven nodig.
Korte controlelijst wanneer een sneltoets anders reageert
- Controleer de omgeving: werk je in een schets, onderdeel, samenstelling of tekening?
- Controleer de selectie: verwacht de opdracht een profiel, rand, vlak, body of component?
- Controleer de invoerfocus: is een tekstveld of maatveld actief?
- Controleer de toewijzing: gebruikt jouw profiel standaardtoetsen of aangepaste snelkoppelingen?
Veelgestelde vragen over sneltoetsen voor productontwerp
Zijn dezelfde sneltoetsen bruikbaar in alle vijf programma’s?
Sommige algemene combinaties komen overeen, maar modelleerfuncties verschillen sterk. Ctrl + B herbouwt bijvoorbeeld een SOLIDWORKS-model, berekent een Fusion-ontwerp opnieuw en start in Rhino de Block-opdracht.
Moet je na een lettertoets op Enter drukken?
In Fusion en SOLIDWORKS starten de genoemde lettertoetsen normaal direct hun functie. FreeCAD gebruikt ook opeenvolgende toetsreeksen. Bij Inventor hangt het bevestigen van een alias af van de ingestelde invoermethode.
Waarom werken sommige toetsen alleen tijdens het schetsen?
Schetsfuncties hebben een actief schetsvlak en passende geometrie nodig. Een constraint, schetsmaat of trimfunctie kan buiten die omgeving niet dezelfde taak uitvoeren. De toepassing schakelt zulke opdrachten daarom uit of gebruikt de toets anders.
Welke sneltoetsen kun je het beste eerst leren?
Begin met passend in beeld brengen, een vast aanzicht kiezen en je meest gebruikte schetsfunctie. Voeg daarna maatvoering en de belangrijkste vormbewerking toe. Kies de toetsen op basis van je eigen dagelijkse ontwerpwerk.
De belangrijkste inzichten
- De actieve omgeving bepaalt de werking: een letter kan in een schets iets anders doen dan in een samenstelling.
- Let op gelijktijdige en opeenvolgende toetsen: Ctrl + B en G → L bedien je verschillend.
- Selecteer het juiste geometrische element: een vlak, profiel en component zijn geen uitwisselbare selecties.
- Controleer het model na wijzigingen: herberekenen en herbouwen kunnen afhankelijkheden of fouten zichtbaar maken.
- Leer vanuit je ontwerpvolgorde: schetsen, bematen, modelleren en controleren vormen een bruikbaar startpunt.

CCleaner Professional Plus - 3 apparaten - 1 jaar
WINDOWS 11 Professional · 1PC · OEM · CD Key