Valuta › Euro - Pond
Talen › Nederlands • Engels • Frans • Italiaans • Spaans • Duits • Zweeds
Leveringstermijn › E-mail met licentie binnen 2 minuten geleverd
Alle sneltoetscombinaties voor terminalprogramma’s
De belangrijkste sneltoetsen voor terminalprogramma’s
Met sneltoetsen voor terminalprogramma’s wissel je sneller tussen sessies, verbeter je opdrachten en doorzoek je eerdere invoer of uitvoer. Dit naslagwerk bevat 100 belangrijke sneltoetsvermeldingen voor Windows Terminal, PowerShell, Opdrachtprompt, Apple Terminal en iTerm2, met uitleg over hun werking.
Welke sneltoetsen zijn belangrijk in een terminal?
De belangrijkste terminalsneltoetsen helpen bij tabbladen openen, tekst kopiëren, opdrachten aanvullen, invoer corrigeren en geschiedenis doorzoeken. Welke combinatie werkt, hangt af van het terminalprogramma én het programma dat daarin draait.
Windows Terminal, Apple Terminal en iTerm2 verzorgen het venster, tabbladen en de tekstweergave. PowerShell en Opdrachtprompt zijn shells: ze verwerken de opdrachten die je invoert. Je kunt dus PowerShell gebruiken binnen Windows Terminal en daarbij sneltoetsen uit beide tabellen toepassen.
Dit overzicht bevat 20 vermeldingen per programma. Sommige toetsen komen terug omdat iedere tabel zelfstandig bruikbaar moet zijn. Het gaat om belangrijke standaardtoewijzingen; aangepaste profielen en actieve terminaltoepassingen kunnen daarvan afwijken.
| Hoofdonderwerp | Gerelateerde trefwoorden | Semantische zoektermen |
|---|---|---|
| Terminalvensters | Tabbladen, panelen, sessies | Terminalemulator, vensterindeling, focus |
| Opdrachten invoeren | Aanvullen, corrigeren, verwijderen | Commandoregel, shell, cursorbeweging |
| Geschiedenis gebruiken | Eerdere opdrachten, zoeken | Command history, PSReadLine, Doskey |
| Uitvoer bekijken | Kopiëren, tekst zoeken, terugscrollen | Scrollback, uitvoerbuffer, markeringen |
Zo lees je de combinaties
Bij Ctrl + Shift + T houd je Ctrl en Shift ingedrukt en druk je op T. Op de Mac zijn Command en Control verschillende toetsen. Option wordt soms ook Alt genoemd.
De Windows-tabellen gelden voor standaardinstellingen. Bij PowerShell wordt uitgegaan van PSReadLine met de Windows-bewerkingsmodus. De shelltoetsen bij Apple Terminal gaan uit van gebruikelijke Emacs-toetsbediening in zsh of bash. Ze kunnen anders werken met een aangepast shellprofiel.
Let op het verschil: opdrachtgeschiedenis bevat eerder ingevoerde commando’s. De terugscrollbuffer bevat eerder getoonde tekst. Zoeken in de ene geschiedenis doorzoekt niet automatisch de andere.
Windows Terminal: 20 belangrijke sneltoetsen
De onderstaande combinaties bedienen Windows Terminal zelf. Ze zijn bruikbaar ongeacht of het actieve profiel PowerShell, Opdrachtprompt of een andere ondersteunde shell opent, zolang de standaardtoewijzingen actief zijn.
Tabbladen en instellingen
| Nr. | Sneltoets | Wat doet deze sneltoets? |
|---|---|---|
| 1 | Ctrl + Shift + T | Opent een nieuw tabblad met het standaardprofiel. Daarmee begin je een extra sessie zonder de bestaande opdrachtregel of uitvoer te verlaten. |
| 2 | Ctrl + Shift + D | Opent een nieuw tabblad op basis van het huidige profiel en de beschikbare mapinformatie. Het kopieert geen lopend proces of volledige shelltoestand. |
| 3 | Ctrl + Shift + 1 | Opent een tabblad met het eerste profiel uit de profielenlijst. Dat hoeft niet PowerShell te zijn: de ingestelde volgorde bepaalt welk profiel start. |
| 4 | Ctrl + Tab | Wisselt naar een volgend tabblad. Afhankelijk van de instelling voor tabbladwisselen kan daarbij een keuzescherm of gebruiksvolgorde worden toegepast. |
| 5 | Ctrl + Shift + Tab | Wisselt in de omgekeerde richting tussen tabbladen. Handig wanneer je regelmatig heen en weer gaat tussen twee verschillende terminalsessies. |
| 6 | Ctrl + Shift + W | Sluit het actieve paneel. Zonder andere panelen sluit het tabblad; bij het laatste tabblad kan ook het venster sluiten. |
| 7 | Ctrl + Shift + P | Opent het opdrachtenpalet. Zoek terminalacties op naam wanneer je bijvoorbeeld een weergavefunctie wilt gebruiken waarvan je de sneltoets niet kent. |
| 8 | Ctrl + , | Opent de instellingen. Hier beheer je onder meer profielen, vormgeving, tabbladgedrag en de acties die aan toetsen zijn gekoppeld. |
Tekst en gesplitste panelen
| Nr. | Sneltoets | Wat doet deze sneltoets? |
|---|---|---|
| 9 | Ctrl + Shift + F | Opent zoeken binnen de beschikbare tekstbuffer van het actieve paneel. Gebruik dit om een eerder getoonde foutmelding of uitvoerregel terug te vinden. |
| 10 | Ctrl + Shift + C | Kopieert geselecteerde terminaltekst naar het klembord. Dit is een duidelijke kopieercombinatie die je kunt gebruiken naast de shellfunctie van Ctrl + C. |
| 11 | Ctrl + Shift + V | Plakt klembordtekst in het actieve paneel. De inhoud gaat naar het programma dat daar invoer ontvangt, bijvoorbeeld PowerShell of een teksteditor. |
| 12 | Alt + Shift + D | Splitst het actieve paneel automatisch in een geschikte richting en opent een nieuwe sessie op basis van het huidige profiel. |
| 13 | Alt + Shift + – | Maakt een splitsing met een nieuw paneel onder het huidige paneel. Handig om twee opdrachtenvensters boven elkaar zichtbaar te houden. |
| 14 | Alt + Shift + = | Maakt een splitsing met een nieuw paneel rechts van het huidige paneel. Deze standaardbinding kan ook met de toetsnaam plus worden weergegeven. |
| 15 | Alt + ← | Verplaatst de focus naar een paneel links van het huidige paneel, als dat aanwezig is. De actieve invoerplek verandert daarbij mee. |
| 16 | Alt + → | Verplaatst de focus naar een paneel rechts van het huidige paneel. Zo wissel je tussen naast elkaar geopende shells zonder muis. |
| 17 | Alt + Shift + ← | Past de paneelgrootte in de richting links aan. Het zichtbare resultaat hangt af van de plaats van het paneel in de indeling. |
Tekstgrootte aanpassen
| Nr. | Sneltoets | Wat doet deze sneltoets? |
|---|---|---|
| 18 | Ctrl + = | Vergroot het lettertype in de terminalweergave. Gebruik dit wanneer uitvoer lastig leesbaar is of je een opdracht aan iemand wilt laten zien. |
| 19 | Ctrl + – | Verkleint het lettertype. Daardoor passen meer tekens en uitvoerregels in het beschikbare paneel, zonder de onderliggende tekst te wijzigen. |
| 20 | Ctrl + 0 | Herstelt de ingestelde standaardlettergrootte. Handig nadat je tijdelijk hebt ingezoomd of uitgezoomd tijdens het bekijken van uitvoer. |
PowerShell: 20 belangrijke sneltoetsen
PowerShell gebruikt PSReadLine voor veel interactieve invoerfuncties. Deze tabel geldt voor de Windows-bewerkingsmodus en beschrijft hoofdzakelijk toetsen terwijl je bij de prompt een opdracht bewerkt. Tijdens een actief extern programma kan de werking veranderen.
Aanvullen en opdrachtgeschiedenis
| Nr. | Sneltoets | Wat doet deze sneltoets? |
|---|---|---|
| 21 | Shift + Enter | Voegt een nieuwe invoerregel toe zonder de volledige opdracht meteen uit te voeren. Handig om een leesbare opdracht over meerdere regels te schrijven. |
| 22 | Tab | Probeert de tekst rond de cursor aan te vullen. Afhankelijk van de context gaat het bijvoorbeeld om een opdracht, parameter, bestand of map. |
| 23 | Shift + Tab | Doorloopt beschikbare aanvullingen in de omgekeerde richting. Gebruik dit wanneer je met Tab een gewenste kandidaat voorbij bent gegaan. |
| 24 | Ctrl + Spatie | Roept menu-aanvulling op. Bij meerdere mogelijkheden kun je beschikbare kandidaten bekijken in plaats van ze uitsluitend één voor één te doorlopen. |
| 25 | ↑ | Haalt eerdere invoer uit de PSReadLine-geschiedenis op. Bij invoer met meerdere regels kan de toets eerst door de huidige invoer bewegen. |
| 26 | ↓ | Beweegt naar recentere geschiedenisitems nadat je eerdere opdrachten hebt opgehaald. Bij meerregelige invoer kan de huidige cursorpositie het gedrag beïnvloeden. |
| 27 | Ctrl + R | Zoekt achterwaarts door de opdrachtgeschiedenis terwijl je een zoektekst typt. Ideaal wanneer je slechts een herkenbaar deel van een eerdere opdracht weet. |
| 28 | Ctrl + S | Zoekt voorwaarts door de opdrachtgeschiedenis. Dit is een aanvulling op achterwaarts zoeken en dient hier niet om een bestand op te slaan. |
De huidige opdracht corrigeren
| Nr. | Sneltoets | Wat doet deze sneltoets? |
|---|---|---|
| 29 | Home | Verplaatst de cursor naar het begin van de huidige regel. Bij meerregelige invoer kan opnieuw indrukken naar het begin van de volledige invoer gaan. |
| 30 | End | Verplaatst de cursor naar het einde van de huidige regel. Bij meerregelige invoer kan opnieuw indrukken naar het einde van de volledige invoer gaan. |
| 31 | Ctrl + ← | Verplaatst de cursor achterwaarts naar een woordbegin. Zo bereik je onderdelen van een lange opdracht sneller dan met afzonderlijke pijltjestoetsen. |
| 32 | Ctrl + → | Verplaatst de cursor voorwaarts langs woordgrenzen. Welke tekens als grens gelden, hangt af van de instellingen voor woordafbakening. |
| 33 | Ctrl + Backspace | Verwijdert tekst terug tot het begin van het huidige of vorige woord. De verwijderde tekst wordt in de interne kill ring bewaard. |
| 34 | Ctrl + Delete | Verwijdert tekst vooruit tot een woordeinde. Handig om een verkeerd argument te vervangen zonder de volledige invoer opnieuw te typen. |
| 35 | Ctrl + Home | Verwijdert de invoer vanaf het begin tot de cursor. Het resterende gedeelte rechts van de cursor blijft beschikbaar om verder te bewerken. |
| 36 | Ctrl + End | Verwijdert de invoer vanaf de cursor tot het einde. Bruikbaar wanneer het eerste deel van een opdracht klopt, maar de rest opnieuw moet. |
| 37 | Ctrl + Z | Maakt een eerdere bewerking van de huidige invoer ongedaan. Deze functie draait geen reeds uitgevoerde PowerShell-opdracht terug. |
| 38 | Ctrl + Y | Voert een ongedaan gemaakte invoerbewerking opnieuw uit. Dit gaat om tekstbewerking bij de prompt, niet om het opnieuw uitvoeren van een commando. |
| 39 | Ctrl + L | Maakt de schermweergave leeg en tekent de huidige invoer opnieuw bovenaan. De opdrachtgeschiedenis wordt hierdoor niet gewist. |
| 40 | Ctrl + C | Kopieert een actieve invoerselectie of annuleert zonder selectie de huidige invoer. Tijdens uitvoering kun je hiermee doorgaans proberen een opdracht te onderbreken. |
Opdrachtprompt: 20 belangrijke sneltoetsen
Opdrachtprompt, ook bekend als cmd.exe, heeft eigen toetsen voor invoer en geschiedenis. Vooral de functietoetsen bieden handige mogelijkheden om eerdere opdrachten gedeeltelijk terug te halen. De onderstaande functies gelden bij de gewone opdrachtprompt.
Navigeren en tekst bewerken
| Nr. | Sneltoets | Wat doet deze sneltoets? |
|---|---|---|
| 41 | ↑ | Haalt een eerdere opdracht uit de geschiedenis van de huidige sessie op. Je kunt de opgehaalde tekst vervolgens aanpassen voordat je Enter indrukt. |
| 42 | ↓ | Haalt een volgende, recentere opdracht op nadat je achterwaarts door de geschiedenis bent gegaan. Zo blader je zonder opnieuw te typen. |
| 43 | Home | Verplaatst de cursor naar het begin van de huidige opdrachtregel. Handig wanneer bijvoorbeeld de opdrachtnaam verkeerd is, terwijl de argumenten al kloppen. |
| 44 | End | Verplaatst de cursor naar het einde van de opdrachtregel. Gebruik dit om na een correctie verder te gaan met het toevoegen van argumenten. |
| 45 | Ctrl + ← | Verplaatst de cursor één woord achterwaarts. Dit versnelt het corrigeren van lange opdrachten met meerdere parameters of bestandspaden. |
| 46 | Ctrl + → | Verplaatst de cursor één woord voorwaarts. Daarmee loop je sneller door een opdracht dan wanneer je ieder teken afzonderlijk passeert. |
| 47 | Esc | Maakt de huidige invoerregel leeg. Gebruik dit wanneer je een nog niet uitgevoerde opdracht wilt laten vervallen en opnieuw wilt beginnen. |
| 48 | Backspace | Verwijdert het teken links van de cursor. Geschikt voor een kleine typefout zonder de rest van de opdrachtregel te wijzigen. |
| 49 | Delete | Verwijdert het teken op de cursorpositie. De tekst rechts daarvan schuift aan; de cursor hoeft niet eerst voorbij het verkeerde teken te staan. |
| 50 | Tab | Vult bestands- en mapnamen aan wanneer naamvoltooiing is ingeschakeld. Herhaald indrukken doorloopt de namen die bij de ingevoerde tekst passen. |
| 51 | Shift + Tab | Doorloopt passende bestands- en mapnamen achterwaarts. Handig als je bij het aanvullen met Tab de bedoelde naam voorbij bent gegaan. |
Eerdere opdrachten hergebruiken
| Nr. | Sneltoets | Wat doet deze sneltoets? |
|---|---|---|
| 52 | F1 | Neemt één teken uit het opdrachtsjabloon over op de overeenkomstige positie. Dit sjabloon bevat eerder ingevoerde opdrachttekst. |
| 53 | F2, daarna een teken | Neemt tekst uit het sjabloon over tot vóór het opgegeven teken. Hiermee kun je een bruikbaar eerste deel van een eerdere opdracht terughalen. |
| 54 | F3 | Neemt het resterende gedeelte van het opdrachtsjabloon over vanaf de huidige positie. Op een lege invoerregel kun je zo de eerdere opdracht terughalen. |
| 55 | F4, daarna een teken | Verwijdert invoer vanaf de cursor tot vóór de volgende overeenkomst van het opgegeven teken. Controleer welk tekstgedeelte hiermee wordt geraakt. |
| 56 | F7 | Toont de opdrachtgeschiedenis in een keuzelijst. Selecteer een opdracht met de pijltjestoetsen; Enter voert de gekozen opdracht uit. |
| 57 | F8 | Doorzoekt eerdere opdrachten die beginnen met de al ingevoerde tekst. Typ bijvoorbeeld een opdrachtbegin en blader daarna door de passende geschiedenisitems. |
| 58 | F9 | Vraagt om het nummer van een geschiedenisitem en haalt die opdracht op. De bijbehorende nummers kun je in de lijst van F7 bekijken. |
| 59 | Ctrl + C | Annuleert gewoonlijk de huidige invoer of probeert een lopende opdracht te onderbreken. Bij een actieve tekstselectie kan de host de combinatie voor kopiëren gebruiken. |
| 60 | Insert | Wisselt tussen invoegen en overschrijven tijdens het bewerken. In overschrijfmodus vervangt nieuw getypte tekst de bestaande tekens op de cursorpositie. |
Apple Terminal: 20 belangrijke sneltoetsen
Apple Terminal is de ingebouwde terminalapp van macOS. De eerste opdrachten hieronder bedienen de app zelf. De laatste vijf hebben betrekking op de opdrachtregel en veronderstellen gebruikelijke shelltoetsen in Emacs-modus.
Vensters, tabbladen en tekst
| Nr. | Sneltoets | Wat doet deze sneltoets? |
|---|---|---|
| 61 | Command + N | Opent een nieuw terminalvenster met de bijbehorende startinstellingen. Daarmee kun je een afzonderlijke werkomgeving naast je bestaande venster openen. |
| 62 | Command + T | Opent een nieuw tabblad. Handig wanneer je meerdere sessies wilt gebruiken zonder voor iedere sessie een los venster op het bureaublad te plaatsen. |
| 63 | Control + Tab | Wisselt naar het volgende tabblad. Gebruik hiervoor Control: Command + Tab wisselt op macOS tussen toepassingen. |
| 64 | Control + Shift + Tab | Wisselt naar het vorige tabblad. Zo kun je in beide richtingen door een reeks geopende terminalsessies navigeren. |
| 65 | Command + W | Sluit het huidige tabblad. Afhankelijk van de actieve processen en instellingen kan Terminal eerst vragen of je de sessie wilt beëindigen. |
| 66 | Command + D | Splitst de weergave om verschillende delen van dezelfde sessie te bekijken. Deze splitsing start dus geen tweede, onafhankelijke shell. |
| 67 | Command + Shift + D | Sluit de gesplitste weergave. Je keert terug naar één weergave van de sessie; dit is geen opdracht om een aparte shell te stoppen. |
| 68 | Command + C | Kopieert geselecteerde tekst uit Terminal. Gebruik dit bijvoorbeeld om een foutmelding over te nemen zonder die opnieuw te hoeven typen. |
| 69 | Command + V | Plakt klembordtekst in de actieve sessie. De tekst gaat naar de shell of naar het programma dat op dat moment invoer ontvangt. |
| 70 | Command + F | Opent zoeken in de beschikbare terminaltekst. Geschikt om eerder getoonde uitvoer te vinden, zoals een bestandsnaam of specifieke melding. |
| 71 | Command + G | Springt naar de volgende overeenkomst van de actieve tekstzoekopdracht. Dit doorzoekt de terminalweergave en niet de opgeslagen shellgeschiedenis. |
| 72 | Command + Shift + G | Springt naar de vorige overeenkomst van de actieve tekstzoekopdracht. Handig om eerdere vermeldingen in dezelfde uitvoer terug te bekijken. |
| 73 | Command + K | Wist terminaltekst tot aan het begin van de weergavebuffer. De bewaarde opdrachtgeschiedenis van de shell wordt daardoor niet automatisch verwijderd. |
| 74 | Command + + | Vergroot het lettertype. Gebruik de plustoets van je toetsenbordindeling om uitvoer beter leesbaar te maken. |
| 75 | Command + – | Verkleint het lettertype. Daardoor past meer uitvoer binnen het venster, zonder dat opdrachten of hun resultaten inhoudelijk veranderen. |
Shellinvoer bewerken en onderbreken
| Nr. | Sneltoets | Wat doet deze sneltoets? |
|---|---|---|
| 76 | Control + A | Verplaatst de cursor naar het begin van de invoerregel bij gebruikelijke Emacs-shellbediening. Dit selecteert dus niet alle terminaltekst. |
| 77 | Control + E | Verplaatst de cursor naar het einde van de invoerregel. Handig om na een correctie verder te gaan met het toevoegen van argumenten. |
| 78 | Control + K | Verwijdert de invoer vanaf de cursor tot het regeleinde bij gebruikelijke shellbediening. De eerder getoonde uitvoer blijft daarbij ongemoeid. |
| 79 | Control + R | Zoekt achterwaarts door de shellgeschiedenis. Typ een herkenbaar deel van een eerdere opdracht om die terug te vinden en eventueel te bewerken. |
| 80 | Control + C | Stuurt normaal een onderbreking naar het actieve voorgrondproces of annuleert de invoer. Het resultaat hangt af van hoe het programma daarop reageert. |
iTerm2: 20 belangrijke sneltoetsen
iTerm2 is een terminalapp voor macOS met uitgebreide sessie- en paneelbediening. Anders dan de splitsing in Apple Terminal kunnen iTerm2-panelen onafhankelijke terminalsessies bevatten. De onderstaande combinaties veronderstellen de standaardtoewijzingen.
Sessies openen en panelen bedienen
| Nr. | Sneltoets | Wat doet deze sneltoets? |
|---|---|---|
| 81 | Command + N | Opent een nieuw terminalvenster. Gebruik een apart venster wanneer je werkzaamheden duidelijk wilt scheiden of over meerdere beeldschermen verdeelt. |
| 82 | Command + T | Opent een nieuw tabblad. Daarmee voeg je een extra sessie toe zonder de huidige terminaluitvoer te vervangen. |
| 83 | Command + W | Sluit de actieve sessie. Bij meerdere gesplitste panelen betreft dit doorgaans het actieve paneel; eventuele bevestiging hangt af van de instellingen. |
| 84 | Command + D | Splitst de sessie verticaal en opent een nieuw paneel naast het bestaande paneel. Beide panelen kunnen afzonderlijke opdrachten uitvoeren. |
| 85 | Command + Shift + D | Splitst horizontaal met panelen boven elkaar. Handig om bijvoorbeeld een opdrachtenprompt en doorlopende uitvoer tegelijk zichtbaar te houden. |
| 86 | Command + Shift + Enter | Vergroot het actieve paneel binnen het tabblad en verbergt de andere panelen tijdelijk. Dezelfde combinatie herstelt de eerdere indeling. |
| 87 | Command + [ | Wisselt tussen gesplitste panelen in de omgekeerde volgorde. De navigatie volgt de paneelwisselvolgorde en is niet uitsluitend een beweging naar links. |
| 88 | Command + ] | Wisselt tussen gesplitste panelen in de andere richting. Gebruik dit om snel door meerdere sessies binnen één tabblad te gaan. |
| 89 | Command + Option + ← | Verplaatst de focus naar het paneel links van het huidige paneel, als dat aanwezig is. De ruimtelijke indeling bepaalt het doel. |
| 90 | Command + Option + → | Verplaatst de focus naar een paneel rechts. Handig wanneer twee sessies naast elkaar staan en je gericht tussen beide wilt wisselen. |
| 91 | Command + 1 | Activeert het eerste tabblad volgens de standaardtabbladnummering. Met andere beschikbare cijfertoetsen kun je overeenkomstige tabbladen rechtstreeks benaderen. |
| 92 | Command + Option + 1 | Activeert het eerste terminalvenster volgens de vensternummering. Dit werkt op vensterniveau en heeft een andere functie dan Command + 1. |
Tekst terugvinden en hergebruiken
| Nr. | Sneltoets | Wat doet deze sneltoets? |
|---|---|---|
| 93 | Command + F | Opent het zoekveld voor terminaltekst. Zoek hiermee in de beschikbare sessietekst en terugscrollbuffer, bijvoorbeeld naar een eerder getoonde foutmelding. |
| 94 | Command + Shift + M | Slaat een markering op bij een positie in de sessie. Gebruik dit om een belangrijk punt in lange uitvoer later gemakkelijk terug te vinden. |
| 95 | Command + Shift + J | Springt terug naar de opgeslagen markering. Handig wanneer nieuwe uitvoer de belangrijke tekst inmiddels buiten beeld heeft geduwd. |
| 96 | Command + ; | Opent tekstaanvulling op basis van woorden in de sessie en terugscrollbuffer. Dit is een iTerm2-functie, naast de eigen aanvulling van de shell. |
| 97 | Command + Shift + H | Opent de kopieer- en plakgeschiedenis van iTerm2. Zoek een eerdere vermelding op om tekst opnieuw te gebruiken zonder die opnieuw te verzamelen. |
| 98 | Command + Option + ↑ | Verplaatst de focus naar het paneel boven het huidige paneel. Bruikbaar in indelingen met meerdere sessies boven en naast elkaar. |
| 99 | Command + Option + ↓ | Verplaatst de focus naar het paneel onder het huidige paneel, als dat bestaat. De actieve sessie ontvangt daarna je toetsenbordinvoer. |
| 100 | Command + , | Opent de instellingen van iTerm2. Hier beheer je onder andere profielen, toetscombinaties, sessiegedrag en de weergave van terminaltekst. |
Welke terminalsneltoetsen leer je het best eerst?
Begin met aanvullen, eerdere opdrachten ophalen en de cursor per woord verplaatsen. Die functies verkorten vrijwel iedere langere invoertaak. Leer daarna hoe je tabbladen of panelen opent en hoe je uitvoer terugvindt.
Maak daarbij steeds onderscheid tussen de invoerregel en de terminalweergave. Een shelltoets kan een woord uit je nog niet uitgevoerde opdracht verwijderen. Een terminalactie kan juist oude uitvoer verbergen of een paneel sluiten. Die handelingen hebben verschillende gevolgen.
- Controleer de actieve sessie voordat je een opdracht plakt of uitvoert.
- Gebruik geschiedenis als invoerhulp: kijk een opgehaalde opdracht na voordat je Enter indrukt.
- Zoek op de juiste plek: in opdrachtgeschiedenis voor commando’s en in terminaltekst voor uitvoer.
- Bekijk aangepaste toewijzingen wanneer een combinatie anders reageert dan in dit overzicht.
Veelgestelde vragen over terminalsneltoetsen
Zijn Windows Terminal en PowerShell hetzelfde?
Nee. Windows Terminal verzorgt onder meer vensters, tabbladen en panelen. PowerShell verwerkt opdrachten. Je kunt PowerShell binnen Windows Terminal openen en dan beide soorten sneltoetsen gebruiken: terminalacties voor het venster en PowerShell-toetsen voor invoerbewerking.
Waarom kopieert Ctrl + C soms niet?
Ctrl + C wordt in shells vaak gebruikt om invoer te annuleren of een proces te onderbreken. Selectiegedrag en de terminalhost bepalen of de combinatie ook kopieert. In Windows Terminal kun je geselecteerde tekst met Ctrl + Shift + C kopiëren. Op de Mac gebruik je daarvoor Command + C.
Wist het leegmaken van het scherm ook mijn opdrachtgeschiedenis?
Gewoonlijk niet. De scherminhoud, terugscrollbuffer en opgeslagen opdrachtgeschiedenis zijn afzonderlijke voorzieningen. Een leeg scherm betekent daarom niet dat eerder uitgevoerde opdrachten uit het geheugen of een geschiedenisbestand zijn verdwenen.
Waarom werken sneltoetsen anders tijdens SSH of in een teksteditor?
De terminal stuurt veel toetsen door naar het actieve programma. Tijdens een SSH-sessie verwerkt de shell op de andere computer die invoer. Binnen een teksteditor, pager of andere interactieve toepassing gelden vervolgens de toetsen van dat programma.
Start splitsen altijd een nieuwe sessie?
Nee. In Windows Terminal en iTerm2 kan een nieuw paneel een zelfstandige sessie bevatten. Apple Terminal splitst met Command + D de weergave van dezelfde sessie. Gebruik daar een nieuw tabblad of venster wanneer je een afzonderlijke shell nodig hebt.
De belangrijkste inzichten
- Dit overzicht bevat 100 sneltoetsvermeldingen: 20 per terminalprogramma of shell.
- Terminalacties bedienen vensters en panelen; shelltoetsen bewerken en verwerken opdrachten.
- Aanvullen, geschiedenis doorzoeken en woorden bewerken besparen veel herhaald typewerk.
- Ctrl + C, schermwissen en paneelsplitsing hebben niet overal dezelfde werking.
- De actieve toepassing, het toetsprofiel en eigen instellingen bepalen welke combinatie uiteindelijk wordt uitgevoerd.
