Sneltoetsen

⌘K
  1. Home
  2. /
  3. Docs
  4. /
  5. Sneltoetsen
  6. /
  7. Handige sneltoetscombinat...
  8. /
  9. Alle sneltoetscombinaties...

Alle sneltoetscombinaties voor kaarten en geografische informatie

De belangrijkste sneltoetsen voor kaarten en geografische informatie

Met sneltoetsen in QGIS en ArcGIS Pro navigeer je sneller door kaarten, selecteer je geografische objecten en bewerk je gegevens zonder telkens menu’s te openen. Dit naslagwerk bevat 100 sneltoetsvermeldingen voor kaartweergaven, attributentabellen, gegevensbewerking en kaartopmaak, met de juiste gebruikscontext erbij.

Welke sneltoetsen gebruik je in QGIS en ArcGIS Pro?

De belangrijkste GIS-sneltoetsen bedienen vijf terugkerende taken: projecten beheren, kaartlagen toevoegen, door kaarten bewegen, objectgegevens controleren en kaarten opmaken. Welke combinatie je nodig hebt, hangt af van het programma én het actieve venster.

In QGIS opent F6 bijvoorbeeld de attributentabel van de actieve laag. In ArcGIS Pro gebruik je daarvoor Ctrl + T wanneer een laag in het Contents-paneel is geselecteerd. Een identieke combinatie kan bovendien binnen hetzelfde programma verschillende functies hebben.

Hieronder vind je 50 sneltoetsvermeldingen voor QGIS en 50 voor ArcGIS Pro. De nummering loopt door tot 100. Sommige combinaties komen terug met een andere functie, omdat kaartvensters, tabellen en lay-outs elk hun eigen bediening hebben.

Hoofdonderwerp Gerelateerde trefwoorden Semantische zoektermen
QGIS QGIS-sneltoetsen, kaartlagen, vectorgegevens en rasterlagen. Attributentabel openen, objecten selecteren, kaartweergave en afdruklay-out.
ArcGIS Pro ArcGIS Pro-sneltoetsen, features, attributen en kaartopmaak. Explore-tool, geometrie bewerken, records selecteren en kaart exporteren.
GIS-werkzaamheden Geografische informatie, ruimtelijke gegevens en cartografie. Inzoomen op selectie, digitaliseren, gegevenscontrole en lay-outelementen.

Voor welk platform geldt dit overzicht?

De tabellen gebruiken de standaardtoewijzingen voor Windows. Veel QGIS-combinaties werken ook onder Linux. Op macOS kunnen toewijzingen verschillen. ArcGIS Pro is een Windows-toepassing.

De QGIS-vermeldingen sluiten aan op de documentatie voor QGIS 3.44. Voor ArcGIS Pro zijn de standaardtoetsen uit de actuele documentatie gebruikt. Eigen sneltoetsprofielen, uitbreidingen en andere programmaversies kunnen afwijkingen veroorzaken.

Zo lees je de toetscombinaties

Bij Ctrl + Shift + S houd je Ctrl en Shift ingedrukt terwijl je S indrukt. Een losse letter, zoals N, gebruik je zonder Ctrl. De hoofdletter is alleen bedoeld om de toetsnaam duidelijk te tonen.

Bij combinaties met een plusteken als toets staat dat expliciet aangegeven. Op sommige toetsenborden moet je Shift gebruiken om dat teken te bereiken. Functietoetsen kunnen op laptops een extra Fn-toets vereisen.

Klik eerst op het onderdeel waarin je wilt werken. Een sneltoets kan een kaartopdracht uitvoeren, een tabelcel bewerken of een lay-outelement verplaatsen. De actieve context bepaalt welke functie voorrang krijgt.

QGIS: 50 sneltoetsen voor kaarten, gegevens en kaartopmaak

QGIS combineert kaartweergaven met lagen, tabellen en analysefuncties. Selecteer bij opdrachten voor een specifieke laag eerst de juiste laag in het lagenpaneel. Dat voorkomt dat je een tabel of selectie van een andere gegevensbron bewerkt.

Projecten openen, opslaan en instellingen vinden

Nr. Sneltoets Wat doet deze sneltoets?
1 Ctrl + N Maakt een nieuw QGIS-project.
2 Ctrl + O Opent een bestaand project.
3 Ctrl + S Slaat het project op.
4 Ctrl + Shift + S Opent Opslaan als voor het project.
5 Ctrl + Shift + P Opent de projecteigenschappen.
6 Ctrl + K Activeert de zoekbalk van de Locator.

Gebruik de Locator wanneer je een functie kent, maar niet meer weet waar die staat. Dat is bijvoorbeeld prettig bij een project waarin je afwisselend lagen zoekt, verwerkingstools gebruikt en instellingen controleert.

Een project opslaan is niet hetzelfde als alle brongegevens opslaan. Het project bewaart onder meer de kaartopbouw en verwijzingen naar gegevens. Bewerkingen aan een laag kunnen daarnaast een afzonderlijke opslaghandeling vereisen.

Maak bij een nieuwe opdracht eerst een herkenbare projectnaam. Een bestand als “Onderzoek_fietsroutes_centrum” is later makkelijker terug te vinden dan een reeks projecten met bijna dezelfde tijdelijke naam.

Geografische gegevens en kaartlagen toevoegen

Nr. Sneltoets Wat doet deze sneltoets?
7 Ctrl + L Opent het gegevensbronnenbeheer.
8 Ctrl + Shift + V Opent het venster om vectorlagen toe te voegen.
9 Ctrl + Shift + R Opent het venster om rasterlagen toe te voegen.
10 Ctrl + Shift + T Opent het importvenster voor gescheiden tekstbestanden.
11 Ctrl + Shift + N Opent het venster voor een nieuwe GeoPackage-laag.
12 Ctrl + Shift + W Opent het venster voor WMS- en WMTS-lagen.

Een vectorlaag bevat geografische objecten, zoals meetpunten, wegen of gebiedsgrenzen. Rastergegevens gebruik je bijvoorbeeld voor luchtfoto’s en hoogtebeelden. De aparte invoervensters helpen om meteen de juiste soort bron te kiezen.

Bij een tekstbestand met coördinaten blijft controle nodig. Kijk of de juiste kolommen als X en Y worden gebruikt, welk scheidingsteken het bestand heeft en bij welk coördinatenstelsel de waarden horen.

Een praktische controle: voeg eerst een bekende achtergrondkaart toe en laad daarna je meetpunten. Verschijnen de punten ver buiten het onderzoeksgebied, onderzoek dan de coördinateninstellingen voordat je verdergaat.

Kaartweergaven openen en door de kaart navigeren

Nr. Sneltoets Wat doet deze sneltoets?
13 Ctrl + M Opent een extra 2D-kaartweergave.
14 Ctrl + Alt + M Opent een nieuwe 3D-kaartweergave.
15 Ctrl + Alt + plusteken Activeert het gereedschap Inzoomen.
16 Ctrl + Alt + minteken Activeert het gereedschap Uitzoomen.
17 Ctrl + Shift + F Zoomt naar de volledige kaartomvang.
18 Ctrl + J Zoomt naar de geselecteerde objecten.
19 F5 Vernieuwt de kaartweergave.
20 Ctrl + B Opent het venster voor een nieuwe ruimtelijke bladwijzer.

Inzoomen op de selectie is handig wanneer je objecten via hun eigenschappen hebt gevonden. Selecteer bijvoorbeeld alle inspectiepunten met een bepaalde status en breng ze daarna samen in beeld.

Gebruik ruimtelijke bladwijzers voor gebieden waar je regelmatig terugkomt. Denk aan drie onderzoekslocaties die je steeds met elkaar vergelijkt. Een duidelijke naam per locatie bespaart herhaald zoeken en zoomen.

Let bij vernieuwen op het verschil tussen de weergave en de bron. F5 tekent de kaart opnieuw, maar lost niet vanzelf een verkeerde bestandverwijzing, ontbrekende verbinding of onjuiste laaginstelling op.

Attributentabellen openen en objecten selecteren

Nr. Sneltoets Wat doet deze sneltoets?
21 F6 Opent de attributentabel van de actieve laag.
22 Shift + F6 Opent de tabel met geselecteerde objecten.
23 Ctrl + F6 Opent de tabel met objecten binnen de zichtbare kaartomvang.
24 F3 Opent Selecteren op waarde.
25 Ctrl + F3 Opent Selecteren met expressie.
26 Ctrl + A Selecteert alle objecten van de actieve laag.
27 Ctrl + Shift + A Wist de objectselectie van de actieve laag.
28 Ctrl + Alt + A Wist de objectselecties van alle lagen.

Een attributentabel verbindt de kaart met de beschrijvende gegevens. Een gebouw kan bijvoorbeeld een adres, bouwjaar en gebruiksfunctie hebben. Door eerst op die eigenschappen te selecteren, hoef je de objecten niet één voor één op de kaart aan te klikken.

Controleer na een selectie altijd het aantal gevonden objecten. Verwacht je vijf locaties en krijg je honderden resultaten, bekijk dan de voorwaarde voordat je daarop verder werkt.

Een selectie wissen verwijdert geen objecten. Alleen de markering verdwijnt. Dat onderscheid is belangrijk wanneer je na een controle weer de volledige kaart wilt bekijken.

Gegevens bewerken, controleren en analyseren

Gebruik tabelopdrachten vanuit de attributentabel. Voor het toevoegen of plakken van geografische objecten moet de doellaag geschikt en bewerkbaar zijn.

Nr. Sneltoets Wat doet deze sneltoets?
29 Ctrl + E Schakelt vanuit de attributentabel de bewerkingsmodus om.
30 Ctrl + R Keert vanuit de attributentabel de objectselectie om.
31 Ctrl + Z Maakt een ondersteunde bewerking ongedaan.
32 Ctrl + Shift + Z Herstelt een ongedaan gemaakte bewerking.
33 Ctrl + C Kopieert geselecteerde geografische objecten.
34 Ctrl + V Plakt gekopieerde objecten in een geschikte bewerkbare laag.
35 Ctrl + Alt + V Plakt objecten als tijdelijke laag.
36 Ctrl + . Activeert objecttoevoeging passend bij de actieve laag.
37 Ctrl + I Opent vanuit de attributentabel de veldcalculator.
38 Ctrl + Shift + I Activeert het gereedschap Objecten identificeren.
39 Ctrl + Shift + M Activeert het gereedschap om een lijnlengte te meten.
40 Ctrl + Alt + T Opent de Processing-toolbox.

Een tijdelijke laag is prettig voor een snelle controle of tussenstap. Wil je het resultaat bewaren, sla die laag dan bewust op voordat je het project afsluit.

Werk bij veldberekeningen eerst met een kleine controleerbare selectie. Controleer de uitkomst en pas daarna dezelfde berekening breder toe. Een verkeerd gekozen veld of eenheid valt zo eerder op.

Ook meten vraagt aandacht voor de projectinstellingen. Een getal op het scherm is pas bruikbaar wanneer duidelijk is welke eenheid en meetinstellingen daarbij horen. Noteer die context wanneer je meetresultaten in een rapport overneemt.

Kaarten opmaken in de QGIS-afdruklay-out

De volgende tien opdrachten gelden in het lay-outvenster. Daar bewerk je de pagina met kaartkaders, legenda’s, titels en andere onderdelen.

Nr. Sneltoets Wat doet deze sneltoets?
41 Ctrl + Shift + V Plakt lay-outonderdelen op hun oorspronkelijke paginapositie.
42 Ctrl + G Groepeert geselecteerde lay-outonderdelen.
43 Ctrl + Shift + G Heft de geselecteerde groep op.
44 Ctrl + L Vergrendelt geselecteerde onderdelen.
45 Ctrl + Shift + L Ontgrendelt alle lay-outonderdelen.
46 Ctrl + 0 Toont de volledige lay-out.
47 Ctrl + 1 Stelt de lay-outweergave in op 100 procent.
48 Ctrl + plusteken Zoomt in op de lay-out.
49 Ctrl + minteken Zoomt uit op de lay-out.
50 Ctrl + P Opent de afdrukopdracht voor de lay-out.

Groepeer onderdelen die samen één geheel vormen, zoals een kaarttitel met een ondertitel. Vergrendel een groot kaartkader zodra de positie klopt. Daardoor verplaats je het minder makkelijk terwijl je kleinere onderdelen selecteert.

Bij meerdere pagina’s helpt plakken op dezelfde positie om de vormgeving consequent te houden. Controleer daarna per pagina of legenda, titel en schaal nog passen bij de getoonde kaart.

ArcGIS Pro: 50 sneltoetsen voor kaarten en geografische gegevens

ArcGIS Pro werkt met kaarten, scènes, tabellen en lay-outs binnen een project. De actieve weergave bepaalt welke contextgebonden toetsen beschikbaar zijn. Vooral bij selecteren, sorteren en bewerken maakt dat verschil.

Projecten, kaarten en uitvoer beheren

Nr. Sneltoets Wat doet deze sneltoets?
51 Ctrl + N Opent het venster voor een nieuw project.
52 Ctrl + O Opent een bestaand project.
53 Ctrl + S Slaat het project op.
54 Ctrl + M Voegt een nieuwe kaart aan het project toe.
55 Alt + Q Activeert het zoeken naar opdrachten.
56 Ctrl + E Opent het exportpaneel voor kaart, lay-out of rapport.
57 Ctrl + P Opent het afdrukpaneel.

Een apart kaartvenster is nuttig wanneer je dezelfde gegevens op verschillende manieren wilt presenteren. Je kunt bijvoorbeeld één kaart voor detailcontrole gebruiken en een andere voor een overzicht van het volledige onderzoeksgebied.

Controleer vóór export welke kaart of lay-out actief is. Bekijk daarna het uitvoerbestand zelf. Een legenda die in het werkvenster leesbaar is, kan op een kleinere rapportpagina te klein uitvallen.

Ook hier geldt dat projectopslag en het opslaan van gegevensbewerkingen verschillende handelingen kunnen zijn. Rond beide bewust af wanneer je een werksessie beëindigt.

Door kaarten en 3D-scènes navigeren

Nr. Sneltoets Wat doet deze sneltoets?
58 Insert Zoomt naar de volledige kaartomvang.
59 = Zoomt in op de actieve kaartweergave.
60 – Zoomt uit op de actieve kaartweergave.
61 , Gaat terug naar de vorige kaartuitsnede.
62 . Gaat vooruit naar de volgende kaartuitsnede.
63 N Richt met de Explore-tool het beeld naar het noorden.
64 P Richt met Explore een 3D-scène recht naar beneden.
65 Ctrl + Alt + C Activeert de Explore-tool.
66 Ctrl + Alt + S Activeert het selectiegereedschap.

De vorige en volgende kaartuitsnede helpen bij het afwisselen tussen detail en overzicht. Je hoeft dan niet steeds opnieuw dezelfde locatie en vergroting op te zoeken.

Herstel de noordrichting wanneer je na het roteren twijfelt aan de oriëntatie. Dat voorkomt verwarring bij het vergelijken van een schermbeeld met een andere kaart. In een 3D-scène helpt het bovenaanzicht om de onderlinge ligging van objecten opnieuw te beoordelen.

Geografische objecten maken en aanpassen

Nr. Sneltoets Wat doet deze sneltoets?
67 Ctrl + Shift + M Opent het paneel Modify Features.
68 Ctrl + Shift + C Opent het paneel Create Features.
69 Ctrl + Shift + T Opent in de bewerkingscontext het Attributes-paneel.
70 F2 Rondt de actieve geometriebewerking af.
71 Esc Annuleert de lopende interactieve bewerking.
72 Spatiebalk ingedrukt houden Schakelt snapping tijdelijk om tijdens geometriebewerking.
73 Ctrl + Z Maakt een geregistreerde bewerking ongedaan.
74 Ctrl + Y Herstelt een ongedaan gemaakte bewerking.

Gebruik Create Features voor nieuwe objecten en Modify Features voor bestaande geometrie. Controleer vóór het tekenen de gekozen laag of objectsjabloon. Een correct getekende lijn in de verkeerde laag geeft later alsnog herstelwerk.

Snapping helpt bij het laten aansluiten van punten en lijnstukken. Bekijk bij een aansluitpunt niet alleen of het er op normale schaal goed uitziet. Zoom voldoende in en controleer of de gewenste verbinding werkelijk is gemaakt.

F2 voltooit de actieve handeling. Dat is iets anders dan alle wijzigingen definitief naar de gegevensbron opslaan. Houd die twee momenten uit elkaar tijdens het digitaliseren.

Attributentabellen openen, doorzoeken en selecteren

Gebruik Ctrl + T vanuit het Contents-paneel met de bedoelde laag geselecteerd. Voor de overige opdrachten hieronder moet de tabel actief zijn.

Nr. Sneltoets Wat doet deze sneltoets?
75 Ctrl + T Opent de attributentabel van de geselecteerde laag.
76 Ctrl + F4 Sluit de actieve tabel.
77 Ctrl + F Toont de opdrachten voor zoeken en vervangen.
78 Ctrl + G Toont de bediening om naar een rijnummer te gaan.
79 Ctrl + Home Gaat naar de eerste rij en eerste cel.
80 Ctrl + End Gaat naar de laatste rij en laatste cel.
81 Ctrl + A Selecteert alle records.
82 Ctrl + Shift + A Wist de recordselectie.
83 Ctrl + U Keert de recordselectie om.
84 Ctrl + Spatiebalk Selecteert of deselecteert de actieve rij.

Een rijnummer is handig om binnen een geopende tabel snel ergens naartoe te gaan. Gebruik voor het inhoudelijk herkennen van objecten liever een geschikt identificatieveld, zoals een objectcode of inspectienummer.

De selectie omkeren helpt wanneer je eerst een duidelijke groep hebt gevonden en daarna de overige records wilt bekijken. Controleer wel welke records op dat moment beschikbaar zijn, bijvoorbeeld na een filter.

Tabelgegevens bewerken en het bijbehorende object bekijken

Nr. Sneltoets Wat doet deze sneltoets?
85 F2 Opent de actieve tabelcel voor bewerking.
86 Ctrl + Shift + C Kopieert geselecteerde records naar het klembord.
87 Ctrl + Shift + S Opent de aangepaste sorteervolgorde voor de tabel.
88 Ctrl + Shift + N Wisselt tussen veldnamen en veldaliassen.
89 Ctrl + 8 Laat het actieve object kort oplichten in de kaart.
90 Ctrl + = Zoomt naar het actieve object en laat het oplichten.
91 Ctrl + I Opent de pop-up van het actieve object.

De actieve rij is niet altijd hetzelfde als de volledige selectie. Bij het controleren van meerdere objecten is dat onderscheid belangrijk: een opdracht kan alleen het object van de actieve rij tonen.

Gebruik oplichten voor een snelle plaatscontrole. Zoom naar het object wanneer je de omgeving uitgebreider wilt beoordelen. Zo kun je bijvoorbeeld nagaan of een adresrecord bij het verwachte gebouw hoort.

Veldaliassen maken kolomnamen vaak begrijpelijker. De oorspronkelijke veldnaam blijft nuttig wanneer je een expressie, gegevensmodel of technische beschrijving controleert.

Kaartlay-outs bewerken en navigeren

De volgende opdrachten gelden in de lay-outweergave. Selecteer eerst de bedoelde onderdelen voor groeperen, verplaatsen of zichtbaarheidswijzigingen.

Nr. Sneltoets Wat doet deze sneltoets?
92 Ctrl + G Groepeert geselecteerde lay-outelementen.
93 Ctrl + Shift + G Heft de geselecteerde groep op.
94 Ctrl + Backspace Heft de selectie van lay-outelementen op.
95 Spatiebalk Schakelt de zichtbaarheid van geselecteerde elementen om.
96 Ctrl + Pijl naar rechts Verschuift geselecteerde elementen één punt naar rechts.
97 Shift + Pijl naar rechts Verschuift geselecteerde elementen vijf punten naar rechts.
98 Insert Zoomt naar de volledige lay-outpagina.
99 Q Activeert of deactiveert een kaartkader.
100 1 Laat je de lay-out navigeren terwijl een kaartkader actief is.

Een kaartkader en de pagina zijn verschillende werkgebieden. Binnen het kaartkader verander je bijvoorbeeld de kaartuitsnede. Op de pagina verplaats je het kader zelf. Controleer daarom eerst welk onderdeel actief is voordat je gaat slepen of zoomen.

Gebruik kleine verschuivingen voor de laatste uitlijning van een legenda of titel. Bekijk daarna de volledige pagina opnieuw: een onderdeel kan lokaal netjes staan, maar de totale balans van de kaart toch verstoren.

Welke GIS-sneltoetsen leer je het beste eerst?

Begin met de opdrachten die aansluiten op je dagelijkse werk. Voor gegevenscontrole zijn tabel openen, zoeken, selecteren en naar een object zoomen meestal het nuttigst. Voor cartografie leveren groeperen, vergrendelen en nauwkeurig verplaatsen meer tijdwinst op.

Een praktische oefening is om tien bekende locaties te controleren. Open de tabel, zoek een locatie, toon die op de kaart en noteer eventuele afwijkingen. Herhaal dezelfde werkwijze totdat de bediening vanzelf gaat.

Leer daarna pas extra combinaties. Een kleine vaste routine helpt meer dan een lange lijst die je tijdens iedere handeling opnieuw moet raadplegen.

Veelgestelde vragen over sneltoetsen voor geografische informatie

Waarom werkt dezelfde sneltoets anders in een tabel?

GIS-programma’s gebruiken contextgebonden bediening. In ArcGIS Pro opent Ctrl + G vanuit een tabel de rijzoekfunctie, terwijl dezelfde combinatie in een lay-out elementen groepeert. Het actieve venster bepaalt de opdracht.

Verwijdert een selectie wissen ook mijn geografische objecten?

Nee. Een selectie wissen verwijdert de markering. De objecten blijven bestaan. Gegevens verwijderen is een afzonderlijke opdracht en kan bewerkingsrechten of een bewerkbare laag vereisen.

Waarom kan ik een object of tabelcel niet bewerken?

Controleer de actieve laag, de bewerkingsmodus en de toegankelijkheid van de gegevensbron. Een alleen-lezen bestand, niet-bewerkbaar veld of beperkte verbinding kan de opdracht blokkeren. Een sneltoets omzeilt die beperkingen niet.

Kun je QGIS- en ArcGIS Pro-sneltoetsen aanpassen?

Ja. QGIS heeft daarvoor Instellingen en Toetsenbordsnelkoppelingen. ArcGIS Pro biedt het venster Keyboard Shortcuts. Controleer bij wijzigingen welke context bij de opdracht hoort en of je een bestaande combinatie overschrijft.

Is een project opslaan voldoende om alle wijzigingen te bewaren?

Niet altijd. Projectopslag, laagbewerkingen en tijdelijke analyseresultaten zijn verschillende zaken. Controleer afzonderlijk of het project is opgeslagen, gegevensbewerkingen zijn vastgelegd en tijdelijke resultaten die je wilt behouden een blijvende opslaglocatie hebben.

De belangrijkste punten om te onthouden

  • Dit naslagwerk bevat 100 vermeldingen: 50 voor QGIS en 50 voor ArcGIS Pro.
  • De tabellen gebruiken Windows-toewijzingen; versies en aangepaste profielen kunnen verschillen.
  • De actieve context bepaalt de werking: kaart, tabel en lay-out hebben eigen opdrachten.
  • Controleer laag en selectie voordat je bewerkt: snel werken begint bij het juiste doel.
  • Bewaar project en gegevens bewust: tijdelijke resultaten en laagbewerkingen vragen afzonderlijke aandacht.