Valuta › Euro - Pond
Talen › Nederlands • Engels • Frans • Italiaans • Spaans • Duits • Zweeds
Leveringstermijn › E-mail met licentie binnen 2 minuten geleverd
Alle sneltoetscombinaties voor technisch tekenen en CAD
100 sneltoetsen en commando-afkortingen voor AutoCAD, BricsCAD en DraftSight
Met sneltoetsen en commando-afkortingen teken je sneller, plaats je objecten nauwkeuriger en wissel je direct tussen belangrijke CAD-instellingen. Dit naslagwerk bevat 100 praktische vermeldingen voor AutoCAD, BricsCAD en DraftSight, met uitleg over de werking en de juiste gebruikssituatie.
Welke sneltoetsen zijn belangrijk bij technisch tekenen en CAD?
Bij technisch tekenen gebruik je het toetsenbord vooral voor drie dingen: tekenopdrachten starten, bestaande geometrie aanpassen en nauwkeurige tekenhulpen bedienen. Denk aan een lijn tekenen met L gevolgd door Enter, objecten spiegelen met een commando-afkorting of object snapping inschakelen met F3.
AutoCAD, BricsCAD en DraftSight hebben veel overeenkomsten. Toch zijn de toetsen niet overal gelijk. Vooral functietoetsen, eigenschappenvensters en programma-eigen hulpmiddelen verdienen aandacht wanneer je tussen CAD-programma’s wisselt.
Onderstaande overzichten gaan uit van de standaardinstellingen voor Windows. Zelf aangepaste sneltoetsen, geïmporteerde gebruikersprofielen en taalversies kunnen hiervan afwijken. Het overzicht bevat 100 vermeldingen verdeeld over de drie programma’s; sommige toetsen komen bij meerdere programma’s terug.
Zo lees je de toetsen in dit overzicht
- Ctrl + 1: houd Ctrl ingedrukt en druk tegelijkertijd op 1.
- F8: druk eenmaal op de functietoets. Op een laptop kan hiervoor Fn + F8 nodig zijn.
- PL → Enter: typ achtereenvolgens P en L en druk daarna op Enter.
- Shift ingedrukt: houd Shift vast tijdens de beschreven handeling.
Bij commando-afkortingen staat de volledige opdracht tussen haakjes. Zo kun je de opdracht herkennen of volledig invoeren wanneer jouw installatie een andere afkorting gebruikt.
Belangrijk: een commando-afkorting is geen gelijktijdige toetscombinatie. L → Enter start een tekenopdracht; Ctrl + L bedient in deze CAD-programma’s de Ortho-instelling.
| Programma | Nummers | Belangrijkste onderwerpen |
|---|---|---|
| AutoCAD | 1–40 | 2D-tekenen, objecten bewerken, lagen, blokken en maatvoering. |
| BricsCAD | 41–70 | Tekenhulpen, Quad, Drawing Explorer en geometrie aanpassen. |
| DraftSight | 71–100 | Precisie-instellingen, tekenvensters, hergebruik en tekenopdrachten. |
AutoCAD: 40 belangrijke sneltoetsen en commando-afkortingen
In AutoCAD vullen functietoetsen en korte opdrachten elkaar aan. Met de functietoetsen bepaal je hoe de cursor zich gedraagt. Met commando-afkortingen start je vervolgens de bewerking. Dat werkt prettig bij plattegronden, installatieschema’s, werktekeningen en mechanische details.
Tekenhulpen en bediening
| Nr. | Toets | Wat doet deze sneltoets? |
|---|---|---|
| 1 | F2 | Toont of verbergt het tekstvenster met de commandogeschiedenis. Handig om eerdere invoer, meetresultaten of meldingen terug te lezen. |
| 2 | F3 | Schakelt de ingestelde object snaps in of uit. Daarmee pak je bijvoorbeeld exact een eindpunt, middelpunt of snijpunt vast. |
| 3 | F5 | Wisselt tussen de isometrische tekenvlakken links, boven en rechts. Gebruik dit bij isometrisch tekenen; je roteert hiermee geen 3D-model. |
| 4 | F7 | Toont of verbergt het tekenraster. Het raster biedt visueel houvast, maar bepaalt op zichzelf niet waar de cursor kan worden geplaatst. |
| 5 | F8 | Schakelt Ortho in of uit. Cursorverplaatsingen worden tijdens geschikte tekenopdrachten beperkt tot horizontale of verticale richtingen binnen het actieve coördinatenstelsel. |
| 6 | F9 | Schakelt de ingestelde rasterstap van de cursor in of uit. Gebruik dit wanneer punten op vaste onderlinge afstanden moeten liggen. |
| 7 | F10 | Schakelt Polar Tracking in of uit. Richtlijnen helpen je tekenen onder ingestelde hoeken, bijvoorbeeld 30, 45 of 90 graden. |
| 8 | F11 | Schakelt Object Snap Tracking in of uit. Daarmee lijn je nieuwe punten uit op eerder opgepikte object-snappunten, zonder extra hulplijnen te tekenen. |
| 9 | F12 | Schakelt Dynamic Input in of uit. Invoervelden bij de cursor maken het mogelijk afstanden, hoeken en opdrachtgegevens dicht bij je tekenwerk in te voeren. |
| 10 | Ctrl + 1 | Toont of verbergt het Properties-palet. Bekijk en wijzig eigenschappen van geselecteerde objecten, zoals laag, kleur, lijntype of geometrische waarden. |
| 11 | Ctrl + 9 | Toont of verbergt de opdrachtregel. Haal deze terug wanneer je prompts, beschikbare opties of de reactie op een opdracht wilt zien. |
| 12 | Esc | Annuleert de actieve opdracht of invoerstap. Controleer daarna de opdrachtregel; soms is een tweede druk nodig om volledig terug te keren. |
Raster en snapping zijn verschillende instellingen. F7 regelt wat je ziet, F9 regelt de rasterstappen van de cursor en F3 regelt het vastpakken van geometrische punten.
Lijnen, contouren en arceringen tekenen
| Nr. | Invoer | Wat doet de opdracht? |
|---|---|---|
| 13 | L → Enter | Start LINE. Teken rechte lijnsegmenten door punten aan te wijzen of coördinaten in te voeren; ieder segment blijft een afzonderlijk object. |
| 14 | PL → Enter | Start PLINE. Bouw een polylijn met aansluitende rechte en gebogen segmenten, die samen één object vormen voor verdere bewerking. |
| 15 | C → Enter | Start CIRCLE. Teken bijvoorbeeld een cirkel vanuit een middelpunt en straal, of kies een andere constructiemethode via de opdrachtopties. |
| 16 | REC → Enter | Start RECTANG. Maak een rechthoekige polylijn op basis van hoekpunten of afmetingen, bijvoorbeeld voor een plaat, ruimte of uitsparing. |
| 17 | A → Enter | Start ARC. Teken een cirkelboog met de gewenste punten, straal of hoek, afhankelijk van de gekozen methode binnen de opdracht. |
| 18 | EL → Enter | Start ELLIPSE. Maak een ellips of elliptische boog voor bijvoorbeeld een technische contour die niet met een gewone cirkel te beschrijven is. |
| 19 | POL → Enter | Start POLYGON. Teken een regelmatige veelhoek met een opgegeven aantal zijden, bijvoorbeeld een zeshoek als schematische weergave van een moer. |
| 20 | H → Enter | Start HATCH. Voeg arcering of een vulling toe aan een begrensd gebied, bijvoorbeeld om materiaal in een doorsnede herkenbaar te maken. |
Objecten verplaatsen, kopiëren en aanpassen
| Nr. | Invoer | Wat doet de opdracht? |
|---|---|---|
| 21 | M → Enter | Start MOVE. Verplaats geselecteerde objecten met een basispunt en doelpunt of een ingevoerde verplaatsing, terwijl vorm en afmetingen behouden blijven. |
| 22 | CO → Enter | Start COPY. Maak kopieën binnen de tekening met een nauwkeurig gekozen basispunt en verplaatsing, bijvoorbeeld voor herhaalde onderdelen. |
| 23 | RO → Enter | Start ROTATE. Draai objecten rond een gekozen basispunt met een opgegeven hoek of gebruik een referentie om de richting te bepalen. |
| 24 | MI → Enter | Start MIRROR. Spiegel objecten over een lijn die je met twee punten bepaalt; daarna kies je of de oorspronkelijke objecten blijven staan. |
| 25 | SC → Enter | Start SCALE. Vergroot of verklein objecten rond een basispunt met een schaalfactor of referentiemaat. Controleer bij technisch tekenwerk altijd de resulterende afmetingen. |
| 26 | O → Enter | Start OFFSET. Maak evenwijdige lijnen of concentrische contouren op een bepaalde afstand, bijvoorbeeld voor wanddiktes, randafstanden of concentrische cirkels. |
| 27 | TR → Enter | Start TRIM. Snijd overtollige delen van objecten af bij begrenzingen. De gekozen Quick- of Standard-modus bepaalt hoe je die begrenzingen selecteert. |
| 28 | EX → Enter | Start EXTEND. Verleng geschikte objecten tot een begrenzing, bijvoorbeeld om een lijn exact op een bestaande constructielijn te laten aansluiten. |
| 29 | F → Enter | Start FILLET. Verbind geschikte objecten met een afronding op de ingestelde straal. Met straal nul kun je een scherpe aansluiting maken. |
| 30 | CHA → Enter | Start CHAMFER. Maak een rechte afschuining tussen objecten op basis van ingestelde afstanden of een afstand en hoek. |
| 31 | S → Enter | Start STRETCH. Verplaats geselecteerde uiteinden met een kruisende selectie. Volledig ingesloten objecten worden doorgaans verplaatst in plaats van uitgerekt. |
| 32 | X → Enter | Start EXPLODE. Splits geschikte samengestelde objecten in onderdelen, bijvoorbeeld een polylijn in segmenten. De oorspronkelijke objectstructuur gaat daarbij verloren. |
Praktisch voorbeeld: teken een wandlijn, maak met O een evenwijdige lijn en werk aansluitingen af met TR of EX. Zo bouw je verder op bestaande geometrie in plaats van dezelfde punten opnieuw te bepalen.
Lagen, blokken, meten en maatvoering
| Nr. | Invoer | Wat doet de opdracht? |
|---|---|---|
| 33 | LA → Enter | Start LAYER. Beheer lagen en eigenschappen zoals kleur, lijntype en zichtbaarheid, zodat constructie, maatvoering en hulplijnen overzichtelijk gescheiden blijven. |
| 34 | B → Enter | Start BLOCK. Maak van geselecteerde objecten een blokdefinitie met een basispunt, bijvoorbeeld voor een herbruikbaar symbool of standaarddetail. |
| 35 | I → Enter | Start INSERT. Voeg blokken of tekeninhoud in de huidige tekening in. Controleer daarbij invoegpunt, schaal en rotatie voor een correcte plaatsing. |
| 36 | MA → Enter | Start MATCHPROP. Neem geselecteerde eigenschappen van een bronobject over op andere objecten, bijvoorbeeld om laag en lijntype gelijk te trekken. |
| 37 | DI → Enter | Start DIST. Meet de afstand tussen twee punten. Gebruik object snaps om werkelijk de bedoelde eindpunten, middelpunten of snijpunten te meten. |
| 38 | DLI → Enter | Start DIMLINEAR. Plaats een horizontale, verticale of geroteerde lineaire maat tussen gekozen punten of langs een geschikt geselecteerd object. |
| 39 | DAL → Enter | Start DIMALIGNED. Plaats een maat evenwijdig aan de verbinding tussen twee punten, bijvoorbeeld om de werkelijke lengte van een schuine zijde te tonen. |
| 40 | D → Enter | Start DIMSTYLE. Beheer maatstijlen met instellingen voor onder meer tekst, pijlen, eenheden en precisie, zodat maatvoering consequent wordt weergegeven. |
BricsCAD: 30 belangrijke sneltoetsen en commando-afkortingen
BricsCAD sluit voor veel tekenopdrachten aan op de vertrouwde DWG-werkwijze. Een lijn starten of objecten kopiëren voelt daardoor herkenbaar. Programma-eigen onderdelen, zoals het Quad-menu en Drawing Explorer, hebben wel hun eigen bediening.
Precisie, eigenschappen en tekenomgeving
| Nr. | Toets | Wat doet deze sneltoets? |
|---|---|---|
| 41 | F2 | Toont of verbergt het venster met de opdrachtgeschiedenis. Gebruik dit om eerdere prompts, ingevoerde waarden en resultaten rustig terug te lezen. |
| 42 | F3 | Schakelt Entity Snaps in of uit. De ingestelde snappunten helpen objecten exact op bestaande geometrie aan te sluiten. |
| 43 | F6 | Schakelt Dynamic UCS in of uit. Bij geschikte 3D-geometrie kan het tekenvlak zich tijdelijk richten naar het aangewezen vlak. |
| 44 | F8 | Schakelt Ortho in of uit voor horizontale en verticale invoerrichtingen. Inschakelen van Ortho schakelt de betreffende Polar Tracking-instelling uit. |
| 45 | F10 | Schakelt Polar Tracking in of uit. Gebruik ingestelde hoeken als richtlijn wanneer je schuine lijnen of verplaatsingen nauwkeurig wilt uitvoeren. |
| 46 | F11 | Schakelt Entity Snap Tracking in of uit. Gebruik uitlijnrichtingen vanaf opgepikte snappunten om nieuwe geometrie ten opzichte van bestaande objecten te plaatsen. |
| 47 | F12 | Schakelt de weergave van het Quad-cursormenu in of uit. Dit contextmenu biedt gereedschappen in de buurt van het aangewezen of geselecteerde object. |
| 48 | Ctrl + 1 | Toont of verbergt het Properties-paneel. Controleer objecteigenschappen en pas beschikbare waarden aan zonder voor iedere wijziging een afzonderlijke opdracht te starten. |
| 49 | Ctrl + 2 | Opent Drawing Explorer. Beheer tekeningonderdelen zoals lagen, lijntypes en blokken vanuit een centrale omgeving, afhankelijk van het gekozen onderdeel. |
| 50 | Ctrl + 9 | Toont of verbergt de opdrachtregel. Vooral handig wanneer deze verdwenen is en je opdrachtopties of foutmeldingen weer wilt kunnen volgen. |
Let op bij de cijfertoetsen: gebruik voor deze BricsCAD-combinaties de bovenste cijferrij. De officiële documentatie maakt daarbij onderscheid met het numerieke toetsenblok.
Geometrie tekenen en bewerken
Bij onderstaande afkortingen bevestig je de letters met Enter. Volg daarna de aanwijzingen op de opdrachtregel voor punten, afstanden, selecties en aanvullende opties.
| Nr. | Invoer | Wat doet de opdracht? |
|---|---|---|
| 51 | L → Enter | Start LINE. Teken losse rechte segmenten, bijvoorbeeld voor constructielijnen, details of eenvoudige technische contouren waarvan de delen afzonderlijk bewerkbaar moeten blijven. |
| 52 | PL → Enter | Start PLINE. Teken één polylijn met meerdere rechte of gebogen segmenten. Dat is handig voor samenhangende contouren en gesloten begrenzingen. |
| 53 | C → Enter | Start CIRCLE. Construeer cirkels via bijvoorbeeld middelpunt en straal, twee punten of andere beschikbare methoden, passend bij de gegevens in je tekening. |
| 54 | REC → Enter | Start RECTANG. Maak een rechthoekige polylijn met hoekpunten of afmetingen. Aanvullende opties ondersteunen onder meer rotatie, afrondingen en afschuiningen. |
| 55 | M → Enter | Start MOVE. Verplaats objecten met een basispunt en bestemming. Gebruik een herkenbaar snappunt als basis voor een controleerbare positionering. |
| 56 | CO → Enter | Start COPY. Maak één of meerdere kopieën met een opgegeven verplaatsing, bijvoorbeeld om identieke onderdelen op regelmatige afstanden te plaatsen. |
| 57 | O → Enter | Start OFFSET. Maak parallelle of concentrische geometrie op een ingestelde afstand. Kies de gewenste zijde om de nieuwe contour correct te positioneren. |
| 58 | TR → Enter | Start TRIM. Verwijder uitstekende delen tot aan snijgrenzen. Houd tijdens het selecteren Shift ingedrukt om binnen deze opdracht tijdelijk te verlengen. |
| 59 | EX → Enter | Start EXTEND. Verleng open objecten tot aan begrenzingen. Het aangewezen uiteinde en de ingestelde projectie bepalen mede het resultaat. |
| 60 | F → Enter | Start FILLET. Maak een afronding tussen geschikte objecten. Stel eerst de straal in wanneer je een specifieke technische overgang nodig hebt. |
Hergebruik, herstel en werken met tekeningen
| Nr. | Toets | Wat doet deze sneltoets? |
|---|---|---|
| 61 | Ctrl + Shift + C | Kopieert geselecteerde objecten naar het klembord met een zelfgekozen basispunt. Daarmee kun je gekopieerde details later nauwkeurig op hun plaats zetten. |
| 62 | Ctrl + Shift + V | Plakt klembordinhoud als een blok. Praktisch wanneer een gekopieerde verzameling objecten na het invoegen als samenhangende eenheid moet worden behandeld. |
| 63 | Ctrl + R | Wisselt tussen beschikbare viewports. Gebruik dit wanneer je binnen een tekening verschillende aanzichten bedient en het actieve venster wilt veranderen. |
| 64 | Ctrl + 0 | Schakelt Clean Screen in of uit. Welke interfaceonderdelen verdwijnen, hangt af van de instellingen; de tekening krijgt meer beschikbare schermruimte. |
| 65 | Ctrl + S | Slaat de huidige tekening op met QSAVE. Gebruik dit bijvoorbeeld na een afgeronde constructiestap, voordat je een grotere wijziging uitvoert. |
| 66 | Ctrl + Z | Maakt de laatste bewerking ongedaan. Controleer het resultaat voordat je verder teruggaat, zeker wanneer een opdracht meerdere objecten heeft gewijzigd. |
| 67 | Ctrl + Y | Voert een ongedaan gemaakte handeling opnieuw uit wanneer deze nog beschikbaar is. Handig als je met Undo een stap te ver terugging. |
| 68 | Ctrl + Tab | Wisselt naar het volgende geopende documenttabblad. Zo vergelijk je bijvoorbeeld een detailtekening met een overzicht zonder opnieuw bestanden te openen. |
| 69 | Ctrl + Alt + V | Opent Paste Special. Kies een beschikbare plakvorm wanneer de herkomst van de klembordinhoud vraagt om meer controle dan gewoon plakken biedt. |
| 70 | Ctrl + H | Wijzigt PICKSTYLE voor het selecteren van groepen en associatieve arceringen. Relevant wanneer klikken onverwacht een hele groep of samenhangende selectie oplevert. |
DraftSight: 30 belangrijke sneltoetsen en commando-afkortingen
In DraftSight gebruik je functietoetsen vooral om tekenhulpen direct te bedienen. De Ctrl-combinaties geven toegang tot eigenschappen, tekeninhoud en klembordfuncties. Ook korte opdrachten zijn beschikbaar, al wijken sommige volledige opdrachtnamen af van AutoCAD.
Functietoetsen voor nauwkeurig tekenen
| Nr. | Toets | Wat doet deze sneltoets? |
|---|---|---|
| 71 | F2 | Toont of verbergt de commandogeschiedenis in een afzonderlijk venster. Lees eerdere invoer en meldingen terug zonder je tekenwerk te verplaatsen. |
| 72 | F3 | Schakelt EntitySnaps in of uit. Gebruik ingestelde geometrische snappunten om bijvoorbeeld een lijn exact op een bestaand eindpunt te laten beginnen. |
| 73 | F4 | Opent in recente versies het venster met recente documenten. Hiermee ga je snel terug naar een eerder gebruikte technische tekening. |
| 74 | F5 | Wisselt naar het volgende isometrische rastervlak. Gebruik deze toets bij isometrisch tekenwerk om de richting van de tekenhulpen passend te zetten. |
| 75 | F7 | Schakelt de rasterweergave in of uit. Je verandert hiermee de visuele achtergrond, terwijl object snapping en de cursorstappen afzonderlijk ingesteld blijven. |
| 76 | F8 | Schakelt Ortho in of uit. Teken of verplaats langs horizontale en verticale richtingen wanneer schuine afwijkingen ongewenst zijn. |
| 77 | F9 | Schakelt Snap in of uit. De cursor volgt de ingestelde stapgrootte, wat bruikbaar is voor tekenwerk met een vast maatraster. |
| 78 | F10 | Schakelt Polar Guides in of uit. Gebruik de hoekrichtlijnen om lijnen en verplaatsingen langs vooraf bepaalde richtingen uit te voeren. |
| 79 | F11 | Schakelt Entity Tracking in of uit. Hiermee kun je punten uitlijnen ten opzichte van bestaande geometrie zonder permanente hulplijnen toe te voegen. |
| 80 | F12 | Schakelt QuickInput in of uit. Afhankelijk van de actieve opdracht verschijnen invoermogelijkheden bij de cursor voor bijvoorbeeld afstanden en hoeken. |
Paletten, selecties en tekeningbeheer
| Nr. | Toets | Wat doet deze sneltoets? |
|---|---|---|
| 81 | Ctrl + 0 | Wisselt tussen een vergroot tekengebied en de gewone interfaceweergave. Handig wanneer je een groot detail met minder interfaceonderdelen wilt bekijken. |
| 82 | Ctrl + 1 | Toont of verbergt het Properties-palet. Controleer en wijzig eigenschappen van geselecteerde tekenobjecten vanuit één vaste plek in de interface. |
| 83 | Ctrl + 2 | Toont of verbergt het Design Resources-palet. Gebruik dit om beschikbare tekenbronnen te bekijken en geschikte inhoud in je tekening te hergebruiken. |
| 84 | Ctrl + 9 | Toont of verbergt het opdrachtvenster. Zet het zichtbaar wanneer je wilt weten welke invoer DraftSight op dat moment van je verwacht. |
| 85 | Ctrl + A | Selecteert alle niet-bevroren objecten binnen de betreffende viewportcontext. Controleer de selectie voordat je een bewerking op de volledige verzameling toepast. |
| 86 | Ctrl + F | Opent zoeken en vervangen voor tekst in onder meer notities, annotaties en maattekst. Handig voor het terugvinden van onderdeelnummers of omschrijvingen. |
| 87 | Ctrl + Shift + C | Kopieert objecten naar het klembord met een opgegeven referentiepunt. Kies bijvoorbeeld een hoek of middelpunt dat later als plaatsingspunt kan dienen. |
| 88 | Ctrl + Shift + V | Plakt objecten van het klembord als een blok. Zo blijft een ingevoegd detail bij verdere selectie en verplaatsing bij elkaar. |
| 89 | Ctrl + S | Slaat de tekening op. Bij een nog naamloze tekening geef je eerst een bestandsnaam en locatie op voor het nieuwe bestand. |
| 90 | Ctrl + P | Opent de afdruk- of plotinstellingen. Controleer papierformaat, schaal, afdrukgebied en uitvoerapparaat voordat je een technische tekening afdrukt of naar een bestand plot. |
| 91 | Ctrl + Z | Maakt de recentste bewerking ongedaan. Gebruik dit om een foutieve verplaatsing, verwijdering of andere wijziging terug te draaien. |
| 92 | Ctrl + Y | Herstelt een eerder ongedaan gemaakte bewerking wanneer die nog beschikbaar is. Daarmee kun je een te ver teruggedraaide wijziging opnieuw toepassen. |
| 93 | Esc | Annuleert de actieve opdracht. Dit is nuttig wanneer je een verkeerde tekenfunctie hebt gestart of een lopende invoer wilt verlaten. |
| 94 | Shift ingedrukt | Dwingt tijdens geschikte invoer tijdelijk Ortho af. Laat de toets los om terug te keren naar de normale bediening van de opdracht. |
Korte opdrachten voor tekenen en aanpassen
| Nr. | Invoer | Wat doet de opdracht? |
|---|---|---|
| 95 | L → Enter | Start Line. Maak rechte lijnsegmenten met aangewezen punten of ingevoerde coördinaten, bijvoorbeeld voor een constructiedetail of een schematische verbinding. |
| 96 | C → Enter | Start Circle. Teken een cirkel met de beschikbare constructieopties, bijvoorbeeld voor een boring die vanuit het middelpunt wordt vastgelegd. |
| 97 | A → Enter | Start Arc. Maak een cirkelboog voor gebogen contouren of aansluitingen, met de punten en afmetingen die je uit de constructie kent. |
| 98 | REC → Enter | Start Rectangle. Teken een rechthoekige contour zonder vier afzonderlijke lijnopdrachten, bijvoorbeeld voor een plaatvorm, tekenkader of rechthoekige opening. |
| 99 | DO → Enter | Start de Ring-opdracht via een compatibele afkorting. Maak een ringvormige contour met binnen- en buitendiameter, bijvoorbeeld voor een schematisch technisch symbool. |
| 100 | CUI → Enter | Opent Customize via een compatibele afkorting. Bekijk of wijzig de interface en toetsenbordtoewijzingen wanneer je veelgebruikte CAD-opdrachten sneller bereikbaar wilt maken. |
Zo gebruik je CAD-sneltoetsen zonder invoerfouten
De actieve opdracht bepaalt wat een letter betekent. Typ je C bij een lege opdrachtregel, dan start je doorgaans Circle. Typ je C terwijl een andere opdracht actief is, dan kan dezelfde letter een opdrachtoptie kiezen. Lees daarom de prompt voordat je verder typt.
Ook de cursorpositie telt mee. Wanneer je tekst bewerkt of een invoerveld actief hebt, komen letters daar terecht. Verlaat eerst de tekstbewerking of het veld als je een tekenopdracht wilt starten.
Een praktische volgorde om de toetsen te leren
- Begin met nauwkeurigheid: leer object snaps, Ortho en Polar Tracking bedienen.
- Voeg tekenopdrachten toe: oefen met lijnen, polylijnen, cirkels en rechthoeken.
- Leer wijzigingen uitvoeren: gebruik verplaatsen, kopiëren, offset, trimmen en verlengen op een eenvoudige oefentekening.
- Werk met bestaande details: kies bewust een basispunt wanneer je geometrie tussen tekeningen kopieert.
- Controleer maten: beoordeel na bewerkingen de geometrie, eenheden en maatvoering.
Je hoeft geen honderd toetsen uit het hoofd te leren. Begin met de opdrachten waarvoor je tijdens normaal tekenwerk steeds naar het lint of een menu gaat. Juist daar wordt het verschil snel merkbaar.
Veelgestelde vragen over sneltoetsen voor technisch tekenen
Zijn de sneltoetsen in AutoCAD, BricsCAD en DraftSight hetzelfde?
Een deel komt overeen, waaronder F3 voor object snapping en F8 voor Ortho. Andere toetsen verschillen. F12 bedient bijvoorbeeld Dynamic Input in AutoCAD, het Quad-menu in BricsCAD en QuickInput in DraftSight.
Waarom start een commando-afkorting niet?
Controleer of de opdrachtregel invoer verwacht en of je de letters met Enter hebt bevestigd. Een actieve teksteditor, lopende opdracht of aangepaste alias kan de oorzaak zijn. Probeer daarna de volledige opdrachtnaam uit de tabel.
Wat is het verschil tussen kopiëren met CO en Ctrl + C?
CO start in AutoCAD en BricsCAD de COPY-opdracht voor geometrische kopieën binnen de tekening. Ctrl + C gebruikt het klembord. Voor hergebruik met een bewust gekozen plaatsingspunt is Ctrl + Shift + C vaak praktischer.
Waarom reageert mijn laptop niet op de functietoetsen?
De bovenste toetsenrij kan standaard helderheid, volume of andere laptopfuncties bedienen. Gebruik dan Fn met de functietoets, of pas de Fn Lock-instelling aan als jouw toetsenbord die mogelijkheid biedt.
Kan ik deze commando-afkortingen zelf aanpassen?
Ja. AutoCAD en BricsCAD gebruiken daarvoor onder meer PGP-bestanden. DraftSight biedt aliasinstellingen bij de gebruikersvoorkeuren. Echte toetscombinaties beheer je afzonderlijk via de interfaceaanpassing. Controleer dus eerst welk type invoer je wilt wijzigen.
De belangrijkste inzichten
- Maak onderscheid tussen toetscombinaties en getypte opdrachten: Ctrl + 1 druk je tegelijk in, PL bevestig je met Enter.
- Gebruik tekenhulpen bewust: raster, rasterstappen en object snapping hebben verschillende functies.
- Controleer programmaverschillen: vooral F12 en programma-eigen paletten werken niet overal hetzelfde.
- Kies een nauwkeurig basispunt: dat maakt verplaatsen, kopiëren en hergebruik van details beter controleerbaar.
- Laat de opdrachtregel je begeleiden: de actieve opdracht en beschikbare opties bepalen welke invoer geldig is.
